De vragen en discussies die bij Oude Geschiedenis horen: verbanden, tegenstellingen en denkfouten uit de stof. 50 vragen, waarvan 40 met een antwoord dat vrij te lezen is.
Juist omdat het onderscheid meebeweegt met je vraag, dwingt het je die vraag scherp te stellen. Een toneelstuk vertelt weinig betrouwbaars over de slavernij als economisch verschijnsel; daarvoor is een vrijlatingsoorkonde directer. Maar wie wil weten hoe Atheners in de 5de en 4de eeuw v.C. over slaven dachten, heeft aan datzelfde stuk een rechtstreekse getuige. Het onderscheid meet dus de afstand tussen bron en onderzoeksvraag. Op het tentamen scoor je door die koppeling hardop te maken: "voor deze vraag is dit een primaire bron, omdat…".
Kijk naar hoe het materiaal bewaard is gebleven. Inscripties zijn bewaard omdat steen, klei en metaal duurzaam zijn, en veel ervan waren bedoeld om iets openbaar te maken. Literaire teksten bestaan nog omdat ze telkens opnieuw zijn overgeschreven, en ook daarvan hebben we maar een fractie. Papyrus overleefde vrijwel alleen in Egypte. De bronnen zijn ongelijk verdeeld over regio's, periodes en onderwerpen. Denk nu zelf na: welke groepen mensen en welke gebieden vallen tussen die filters door, en wat betekent dat voor een algemene uitspraak over "de Grieken"?
Ze is ontstaan uit een religieuze keuze. Dionusios wilde in de 6de eeuw zijn paastabellen niet laten beginnen bij Diocletianus, de vervolger van de christenen, en rekende daarom vanaf de geboorte van Christus. De telling verspreidde zich vanwege het belang van Pasen, eerst in het Byzantijnse Rijk, later in christelijk Europa. Voor de Oudheid zelf bestonden andere systemen: regeringsjaren, eponiemen, de Seleuciden-era, Olympiaden. Wat verandert er in je beeld van de Oudheid als je bedenkt dat al die tellingen achteraf in één christelijke reeks zijn gezet?
Alleen met veel voorzichtigheid. Een afbeelding is een verbeelding of representatie: de maker gaf de werkelijkheid weer volgens de conventies van zijn tijd, en dat is iets anders dan een documentaire foto. Om zo'n beeld te lezen heb je kennis nodig van de cultuurhistorische achtergrond van het verbeelden in die periode, en ook dan blijven er interpretatieproblemen. Naerebout en Singor zeggen daarom dat een schildering vaak nog moeilijker te duiden is dan muurresten. Zo'n pot vertelt je vooral iets over hoe mensen zichzelf en hun wereld wilden laten zien. Als aanvulling op teksten is dat waardevol; als enige bewijs voor dagelijks leven is het zwak.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
De namen Paleolithicum en Neolithicum komen uit een oudere manier van indelen, op basis van stenen werktuigen: ruw in de oude steentijd, gepolijst in de nieuwe. Naerebout en Singor houden de namen aan, maar leggen het criterium elders. Voor hen begint het Neolithicum met de domesticatie van planten en het wonen in vaste nederzettingen. Hetzelfde zie je bij het Mesolithicum: formeel een tijd van kleinere werktuigen, historisch een overgang naar het boerenbestaan. Een periodenaam zegt dus iets over de geschiedenis van het vak zelf. Op het tentamen scoor je door beide te noemen: waar de naam vandaan komt, en welk criterium historici nu gebruiken.
Je begint bij wat vaststaat: rode oker in graven, prooidieren diep in grotten, vrouwenbeeldjes met overdreven vormen. Daarna vraag je welke uitleg voor de hand ligt en welk bewijs daarvoor ontbreekt. Oker lijkt een symbool voor leven, maar voedselgaven, die op een hiernamaals zouden wijzen, zijn zonder aardewerk niet teruggevonden. Archeologen zijn om die reden voorzichtig met het label ritueel. Tegelijk leeft geen enkele bekende samenleving zonder rituelen. Waar ligt voor jou dan de grens: wanneer is een interpretatie redelijk genoeg om op te schrijven, en wanneer wordt het speculatie?
Dat is niet beslist. De Uit-Afrika-these zegt dat Homo sapiens alleen in Afrika ontstond en vanaf ca. 100.000 jaar geleden opnieuw uitzwermde, waarbij hij de oudere mensentypen verdrong, misschien dankzij taal. Twee soorten bewijs steunen dat: dateringen die laten zien dat moderne mensen en Neanderthalers (130.000 tot 30.000 jaar geleden) tegelijk leefden, en genetisch onderzoek dat uitkomt bij een "Afrikaanse Eva" van zo'n 200.000 jaar geleden. De multiregionale positie ziet een parallelle ontwikkeling in Afrika, Azië en Europa, en haar verdedigers zijn niet overtuigd. Naerebout en Singor laten de vraag open en wijzen op wat vaststaat: rond 10.000 v.C. woonde de moderne mens bijna overal.
Kijk naar de gevolgen, dan lijkt het wel: vaste dorpen, vee, groei, nieuwe ziekten, en jagersculturen die langzaam werden teruggedrongen. Kijk naar het verloop, dan niet: er ging een lange overgang aan vooraf, jagers stuurden de natuur al bij, en de verspreiding over Europa kostte vier à vijf millennia. Naerebout en Singor spreken zelf van een langdurig proces met een eigen dynamiek. De vraag is wat je met een woord als revolutie wilt meten: de snelheid van een verandering, of de omvang van wat er veranderde?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Allebei, en Naerebout en Singor zeggen dat ook. De naam verwijst in de eerste plaats naar ons gebrek aan bronnen: er is weinig schrift en weinig bouwwerk, dus de periode is voor ons duister. Daarnaast is er een oordeel over de periode zelf: voor zover we kunnen nagaan stonden politiek en cultuur op een laag niveau. Dat oordeel steunt op archeologie: minder en kleinere nederzettingen en begraafplaatsen, nauwelijks bouw in steen, aardewerk met alleen geometrische motieven en het verdwijnen van het schrift. Houd de twee betekenissen op het tentamen uit elkaar. "Weinig bronnen" is een feit over de overlevering; "laag niveau" is een interpretatie van dat materiaal. En let op: ook in deze periode verspreidde de kennis van ijzer zich, dus helemaal stil stond het niet.
Naerebout en Singor schrijven letterlijk "achteraf gezien": de turannis ondermijnde de positie van de aristocratie en opende in sommige poleis de weg naar democratie. Het woord "sommige" is belangrijk. In Korinthe kwam na de tirannen weer een aristocratie aan de macht, en in Klein-Azië bleven tirannen dankzij Perzische steun zitten. In Athene veranderde onder Peisistratos de sociale structuur: er ontstond een middenklasse van boeren die ook als hoplieten dienden. Denk dus na over de vraag of de tirannie de oorzaak was, of eerder een omstandigheid waarin een andere oorzaak (de nieuwe middenklasse) kon groeien. Welke factor weegt voor jou het zwaarst, en hoe verklaar je met jouw antwoord dat Korinthe een andere kant op ging?
Uit drie soorten materiaal, die je apart moet houden. Ten eerste archeologie: vanaf de 10de eeuw stonden er hutten op de heuvels, en uit de 7de eeuw is onder meer een strijdwagen gevonden die grote verschillen in rijkdom laat zien. Ten tweede instellingen en woorden die later nog bestonden, zoals senaat, patres, gens, clientela en tribus: daaruit kun je terugredeneren hoe de oudste samenleving in elkaar zat. Ten derde de overlevering over Romulus en Remus, de zeven koningen en Tarquinius. Die is grotendeels onbetrouwbaar, al kan een kern kloppen: de naam Tarquinius is echt Etruskisch, en dat het koningschap rond 600 in Etruskische handen kwam, is aannemelijk. De stichtingsdatum 753 laat het probleem goed zien: die is tegelijk te laat en te vroeg.
Naerebout en Singor geven een structurele redenering. In het noorden lagen de Skythen (de expeditie van Darius mislukte), in het oosten schermden gebergten en woestijnen het rijk af van India, en Arabië was ook onbereikbaar. Uitbreiding leek dus alleen naar het westen mogelijk, en de auteurs denken dat die ook beoogd was. Daarnaast speelde een directe aanleiding: de Ionische Opstand (500-494), waarbij Athene kort hulp stuurde. Perzië wilde de helpers van de opstandelingen straffen, "zo heette het". Let op dat laatste zinnetje: het laat twijfel aan het officiële motief. Maar "onvermijdelijk" is een sterk woord. Kun je de structurele en de directe oorzaak zo tegen elkaar afwegen dat je zonder dat woord toch uitlegt waarom de botsing kwam?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nee, en Naerebout en Singor waarschuwen juist voor die conclusie. Het gevonden aardewerk was luxe voor de export, gemaakt door gespecialiseerde pottenbakkers; eind 6de eeuw werkten er in Athene misschien tweehonderd mensen aan keramiek, een bescheiden deel van de economie. Het dagelijkse vaatwerk werd overal lokaal gemaakt. Beroepshandelaren waren zeldzaam, graan werd hooguit incidenteel ingevoerd, en cijfers over het aandeel van de handel ontbreken. Rijkdom bleef land, met oorlogsbuit ernaast. Aardewerk overleeft goed in de grond, en dat maakt het verleidelijk om het belang ervan te overschatten.
Beide lezingen zijn te verdedigen. Naerebout en Singor noemen 508/507 het moment dat Athene een werkelijk democratische staatsvorm kreeg, met een sterkere volksvergadering en een grote nieuwe raad. Maar ze wijzen ook op een oudere, onderliggende gelijkheid in de polis: fylen waarin rijk en arm zaten, gemeenschappelijke feesten, een volksvergadering die sinds Solon open stond voor de theten, en misschien een raad van vierhonderd. Tirannen hadden de aristocratie bovendien al verzwakt. Als zoveel bouwstenen er al lagen, wat veranderde er in 508/507 dan precies dat de naam democratie rechtvaardigt?
Voor een deel weten we het niet zeker. De gegevens over de collectieve opvoeding vanaf zeven jaar, de leeftijdsklassen en de sussitia komen vooral uit later tijd. Dat de situatie in elk geval vanaf de 6de eeuw bestond, is dus een reconstructie terug in de tijd. Daarbovenop komt de verklaring dat dit alles teruggaat op een op leeftijd gebaseerde samenleving in de Dark Age; Naerebout en Singor noemen die voor Griekenland als geheel moeilijk te bewijzen. Op het tentamen scoor je door die lagen uit elkaar te houden: wat de bronnen zeggen, uit welke tijd ze komen, en welke verklaring historici eraan verbinden.
Er zat een kern van waarheid in. In de grote rijken vocht een kleine elite, en opgeroepen boeren kregen hun wapens uit het koninklijk arsenaal en leverden ze na de veldtocht weer in, terwijl een Griekse burger lans en schild thuis bewaarde. Maar ook in Griekenland waren er heloten, horigen, pachters die als half vrij golden en een tweederangs burgerschap voor wie geen hopliet kon zijn. En ontwikkelde Aziaten vonden de polis op hun beurt abnormaal en primitief. Zegt het Griekse oordeel dan meer over de Perzen, of vooral over hoe Grieken zichzelf als vrije burgers wilden zien?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Het jaartal komt uit de Griekse traditie, en Naerebout en Singor vinden die overlevering bij benadering juist, al is het precieze begin omstreden. Zeker is vooral de ontwikkeling: de spelen begonnen klein, met alleen hardlopen en al snel wagenrennen, en groeiden in de 7de en 6de eeuw sterk in deelnemende poleis en sporten. Voor het tentamen is die groei belangrijker dan het ene jaartal, omdat hij samenvalt met het ontstaan van een gemeenschappelijk Grieks gevoel. Het vierjaarlijkse ritme leverde bovendien een eigen jaartelling in Olympiaden op.
Weinig, en de auteurs zeggen dat zelf. Homeros laat vooral aristocraten jagen en sporten; Naerebout en Singor vermoeden dat andere mannen ook meededen, maar dan af en toe. Over pederastie buiten de elite zeggen ze dat we te weinig weten om iets algemeens te beweren, en over de allerarmsten weten we alleen dat man en vrouw er vrij gelijk leefden, omdat ze samen werkten en op straat woonden. Veel van het beeld is dus een beeld van de bovenlaag. Hoeveel van wat we 'Grieks' noemen, zoals het sumposion of de lyriek, zou je eigenlijk 'aristocratisch' moeten noemen?
Omdat de positie van de vrouw volgens Naerebout en Singor samenhangt met de vorm van het huwelijk. Waar de bruidschat opkwam, werd het huwelijk een onderhandeling tussen families en ontstond het kerngezin met de man als hoofd; daarin verdween de vrouw uit het openbare leven, zoals in Athene, waar ze altijd onder voogdij stond en geen erfrecht had. Sparta hield de collectieve greep op het huwelijk vast en verbood de bruidschat lang. Daardoor bleef er ruimte: dochters erfden net als zonen en meisjes deden mee aan openbare gymnastiek en feesten. Let op de aanhalingstekens die de auteurs zelf rond 'primitief' en 'geïndividualiseerd' zetten: het zijn hun etiketten voor de mate van collectieve regulering.
Dat hangt af van het moment. In het begin bedoelden Grieken met barbaroi alleen mensen wier taal ze niet verstonden, en in Klein-Azië en op Cyprus leefden Grieken en niet-Grieken soms zelfs in één gemeenschap. Met het panhelleense gevoel groeide de afstand: niet-Grieken mochten niet meedoen aan de Olympische Spelen, en de verhouding met onderworpen inheemse bevolkingen voedde een gevoel van superioriteit. Pas na de Perzische Oorlogen, in de 5de eeuw, kreeg het woord de lading van culturele minderwaardigheid. Als hetzelfde woord zo verschuift, wat betekent dat dan voor de manier waarop je een Griekse bron over 'barbaren' moet lezen?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Het hangt af van wat je onder polis verstaat. Als zelfstandige staat die zelf over oorlog en bondgenootschappen beslist, verdween de polis na Chaironeia: vanaf dan domineerden koninkrijken en verloren de meeste poleis hun zelfstandigheid naar buiten. Als stad met een eigen bestuur binnen het eigen gebied bleef de polis bestaan, en er werden zelfs veel nieuwe van hetzelfde type gesticht. Naerebout en Singor wijzen erop dat die lokale autonomie voor veel poleis ook vóór 338 al het maximum was. Daarom mag je, net als de Grieken zelf, ook daarna van poleis spreken. Op het tentamen scoor je door die twee betekenissen expliciet uit elkaar te houden.
Omdat hij de aanzet gaf. De gebeurtenissen tussen 510 en 508/507 zijn niet precies te reconstrueren, en het is goed mogelijk dat het stelsel van demen, trittues en tien fulai pas in de eerste helft van de 5de eeuw zijn definitieve vorm kreeg. Naerebout en Singor vinden het label toch verdedigbaar, omdat de hervormingen op zijn initiatief begonnen. Zo vatten historici met een naam een heel proces samen. Wie "kleisthenisch" schrijft, zegt dus wie begon, en laat open hoe lang de uitwerking duurde. Voor het ostracisme geldt iets vergelijkbaars: ook daarvan is onzeker of het meteen of wat later werd ingesteld.
Er zijn argumenten voor beide kanten. Het democratische Athene was zelfbewust en expansief, de theten verdienden aan de vloot en het imperium, en Sparta wantrouwde juist die dynamiek. Tegelijk zochten alle poleis hegemonie over elkaar, want dat bracht eer, roem en winst, en oorlogen tussen poleis waren endemisch. Naerebout en Singor betwijfelen daarom of een niet-democratisch Athene de botsing met Sparta had kunnen vermijden. Maar hoe verklaar je dan dat de Peloponnesische Oorlog zo veel groter en verbitterder werd dan eerdere oorlogen: lag dat aan Athene, aan de ideologie, of aan de middelen die een imperium opleverde?
Minder dan de overzichten doen vermoeden. Voor India is er weinig archeologisch en schriftelijk materiaal, weinig C14-dateringen, en de teksten letten nauwelijks op exacte tijdrekening; zelfs het leven van de Boeddha wordt alleen "vrij algemeen" op 480-400 gezet, en hoe het kastenstelsel ontstond is niet in detail bekend. Voor China is onzeker wat Confucius zelf dacht, omdat de Lunyu pas in de 3de eeuw is samengesteld, en Laozi is vermoedelijk legendarisch. Bij de Kelten gaat het om culturen die we alleen uit de archeologie kennen: alleen Latène geldt zeker als Keltisch, en dat krijgers zich al aan edelen bonden (de Gefolgschaft) is een aanname op basis van veel latere bronnen. Houd bij zulke gebieden feit en reconstructie dus scherp uit elkaar.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Omdat Athene een van de weinige complexe economieën uit de 5de en 4de eeuw is waarover veel details bekend zijn. Tegelijk zeggen Naerebout en Singor er meteen bij dat Athene geen gemiddelde polis was: het koos bewust voor grootschalige voedselimport en een centrale plek in de handel. De meeste poleis waren agrarisch en streefden naar zelfvoorziening; Sparta en Rome hadden in deze periode een eenvoudige economie. Wie over "de Griekse economie" schrijft op basis van Athene, generaliseert dus vanuit de uitzondering. Op het tentamen scoor je als je dat onderscheid zelf maakt: noem wat voor Athene geldt en zeg erbij waarom je het niet zonder meer op andere steden mag toepassen.
Het hangt af van de vraag of je naar de werking of naar de vorm kijkt. In zijn werking roomde het stelsel de hoogste inkomens af, en wie in aanmerking kwam, kon er niet zomaar onderuit. In zijn vorm was het een gift: gever en ontvangers zagen het zo, en de gever kreeg er eer en invloed voor terug. Denk ook aan de vloot en aan voedselcrises: daar liep het geld van de stad en dat van rijke burgers door elkaar. Welk woord past beter bij een samenleving die zelf geen scherp onderscheid maakte tussen staat en rijke burger: "belasting" of "weldoen"? En wat zegt het over ons eigen denken dat we die vraag stellen?
Niet erg. Naerebout en Singor geven maxima: hooguit 50.000 burgers in de 5de eeuw vóór de Peloponnesische Oorlog en hooguit 30.000 in de 4de eeuw. Die moeten met ongeveer 3,5 vermenigvuldigd worden voor vrouwen en kinderen, en dan komen de niet-burgers, vrij en onvrij, er nog bij. Over hun aantal kan men alleen gissen, en ook over het aantal slaven bestaat grote onzekerheid. Zo komt men op hooguit 350.000 en 200.000 inwoners. Hetzelfde geldt voor de graanimport: elke berekening stapelt onzekere factoren op elkaar (cultuurgrond, opbrengsten, bodemgebruik, bevolking). Wat wel vaststaat is de conclusie: ook met 200.000 inwoners was Athene de grootste polis en kon Attika zich niet zelf voeden. Gebruik de cijfers dus als orde van grootte.
Begin bij wie er binnen de burgerij viel. Voor volwassen mannelijke burgers was Athene uitzonderlijk open: directe democratie, loting, vergoedingen zodat ook armen konden meedoen. Maar de burgerrechtwet van 451-450 hield de groep bewust klein, vrouwen bleven levenslang onmondig, metoiken betaalden en vochten zonder mee te beslissen, en onvrije arbeid gold als onmisbaar. Naerebout en Singor verklaren de strenge wet uit het streven om privileges voor weinigen te houden. Daar zit de spanning: de openheid binnen de groep hing samen met de geslotenheid naar buiten. Is het eerlijk om Athene langs een modern begrip van democratie te leggen, of moet je het meten aan de andere stadstaten van zijn tijd, waar tirannie en oligarchie even gewoon waren?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Kijk eerst naar de beperkingen die het hoofdstuk zelf al noemt: de afzondering gold voor de hogere en middengroepen, arme vrouwen werkten mee en metoikenvrouwen handelden zelfstandig. Kijk daarna naar de rol die vrouwen wel buitenshuis speelden: begrafenissen en een flink aantal religieuze feesten. En vraag je af wie de opvattingen over vrouwelijke zwakte formuleerde en opschreef. Hoeveel van het beeld is dan een norm die mannen opschreven, en hoeveel een beschrijving van hoe vrouwen echt leefden?
Omdat hun vernieuwing terugkeek. Beiden namen de polis als uitgangspunt en zochten er een nieuw fundament voor: Plato vanuit de ideeënleer met filosofen als bestuurders, Aristoteles door de beste elementen van bestaande stelsels te combineren. Intussen liep de 4de eeuw uit op een monarchaal stelsel, en daarbij sloten hun ontwerpen niet aan. Nieuw in de vorm, behoudend in het doel: daarom hadden ze op hun eigen tijd weinig invloed en op het latere denken juist veel.
De formele aanklacht was religieus: asebeia en bederf van de jeugd. Maar in Athene liepen religie en politiek door elkaar: verraad aan de polis was verraad aan haar goden, en de asebeia-aanklacht diende ook om afwijkend gedrag te beteugelen. Naerebout en Singor noemen als vermoedelijke achtergrond de angst voor sofistische ondermijning van de democratie en het oligarchische intermezzo. Is "religie of politiek" dan wel een vraag die past bij een samenleving waarin die twee niet los van elkaar bestonden?
Ja, en dat maakt ze zo waardevol. De meeste bronnen komen van de elite; van defixiones, vloektabletten van lood met de naam van een slachtoffer die in graven of water belandden, zijn er veel teruggevonden, en komen vaak van mensen van eenvoudige komaf. Ze laten zien dat veel Atheners, anders dan een filosoof als Plato, zeer bijgelovig waren. De beperking: ze tonen één kant van het geestesleven, de kant van afgunst en schade, en niet de hele religieuze beleving. En wie ze magie noemt, velt volgens de auteurs al een waardeoordeel.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Omdat dezelfde omstandigheden tot verschillende uitkomsten kunnen leiden. Een vruchtbare riviervlakte maakt een dichte bevolking mogelijk, maar zegt niet of daar een koninkrijk, een verzameling stadstaten of een rijk van buitenaf ontstaat. De auteurs noemen de materiële factoren daarom grondslagen: ze bakenen af wat kan en wat niet kan. Binnen die ruimte beslissen mensen, instituties en toeval. Op het tentamen scoor je met dat onderscheid: schrijf "maakte mogelijk" of "beperkte", niet "veroorzaakte", tenzij je dat echt kunt onderbouwen.
Geen van beide woorden past goed, en dat is precies het punt van het hoofdstuk. Tegen "primitief" pleiten de geldeconomie, marktgerichte landbouw en de bloei in de 1ste en 2de eeuw n.C., zichtbaar in scheepswrakken, geldhoeveelheid en loodvervuiling in het poolijs. Tegen "modern" pleiten het ontbreken van krediet en banken, de lage koopkracht, een elite die haar geld in grond stak en het ontbreken van het idee van economische groei. Welk woord zou jij dan kiezen om een economie te beschrijven die wel groeide, maar alleen tussen nauwe grenzen?
Door te redeneren vanuit vergelijkbare samenlevingen. Bevolkingen ontwikkelen zich volgens algemene regels, en de historische demografie gebruikt wiskundige modellen en gegevens uit andere preindustriële samenlevingen om de schaarse antieke bronnen te duiden. Zo komen de auteurs op een sterfte van ongeveer 40 promille en een levensverwachting bij geboorte van 25 jaar. Het blijft een reconstructie met onder- en bovengrenzen, geen meting. Losse gegevens, zoals huwelijksleeftijden van 12 tot 18 jaar die op veel plaatsen genoemd worden, passen in dat model en maken het aannemelijker.
Het onderscheid helpt verklaren waarom een elite met genoeg kennis en geld weinig vernieuwde: grond gold als ideaal en groei als begrip ontbrak. Tegelijk verdiende diezelfde elite graag mee aan handel, en de auteurs zeggen zelf dat de rol van mentaliteit omstreden is. Ze voegen er ook aan toe dat een andere mentaliteit het technologisch plafond niet had opgeheven. Als de techniek toch de grens trok, hoeveel gewicht mag je de mentaliteit dan nog geven?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Ja, volgens de gangbare definitie die het hoofdstuk gebruikt: het schrift markeert het einde van de prehistorie. In Mesopotamië was het spijkerschrift vanaf het late 4de millennium in gebruik, in Egypte verschijnen de hiërogliefen kort voor 3000 v.C. Op Kreta komt Lineair A pas rond 2000 tot 1700, en het oudste Grieks (Lineair B) nog later. Let wel op wat dit betekent: na de Myceense ondergang was Griekenland een tijd weer schriftloos. Het begin van de geschiedenis is dus geen eenmalige grens die een regio overschrijdt, en elk gebied heeft zijn eigen moment.
De rivier verklaart veel van de organisatie: irrigatie, dijken, herendiensten, een apparaat dat oogst en arbeid regelt. Maar de rivieren verschilden. Egypte had één rivier waar het hele land van afhing, wat eenwording en een ene koning bevorderde; de farao stond samen met de goden garant voor het heil van het volk. Mesopotamië bleef lang een lappendeken van stadstaten, elk met een eigen stadsgod, en de goden daar waren ver verheven en grillig. Welke van deze factoren weegt voor jou het zwaarst: de geografie, of de politieke versnippering die er in Mesopotamië uit volgde?
Minder dan de nette lijstjes suggereren. Volgens het hoofdstuk weten we pas met zekerheid iets vanaf het moment dat er geschreven documenten zijn. Voor de tijd daarvoor rekenen historici terug vanuit latere talen en volken en leunen ze op archeologisch materiaal dat niet altijd één uitleg toelaat. Daarom staat er zo vaak "waarschijnlijk" en "vermoedelijk": de bakermat van de Indo-Europeanen, de komst van de eerste Grieken rond 2000 v.C. (afgeleid uit verwoeste nederzettingen), de rol van de Indo-Ariërs bij het einde van de Indusbeschaving. Wat wel vaststaat is het eindresultaat: bijna heel Europa sprak uiteindelijk een Indo-Europese taal.
Het hoofdstuk geeft beide mogelijkheden. De Doriërs kwamen in een politiek en demografisch vacuüm na de Myceense ondergang, en hun komst versterkte de terugval. De Hyksos stichtten hun koninkrijk in een periode van desintegratie die al gaande was. De Amorieten worden wel met "onder andere" genoemd bij het einde van de Soemerische macht. Algemener stelt het hoofdstuk dat invallers in de rivierdalen meestal opgingen in de veel grotere plaatselijke bevolking. Kijk bij elke casus: wat was er eerder, de zwakte of de inval, en hoe zou je dat in een essay onderbouwen?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Samenvatting Oude Geschiedenis · Oefenen met Oude Geschiedenis · Bekijk prijzen