Geschiedenis jaar 1 · Leiden (IHW)

Tentamenanalyse Inleiding Historische Wetenschap

Welke onderwerpen krijgen de meeste ruimte, waar liggen de punten en wat kost de meeste denkkracht? De stof van Inleiding Historische Wetenschap doorgerekend, met de plekken waar studenten in dit vak de mist in gaan. Gratis te lezen.

Deze pagina ontleedt de vorm van het tentamen Inleiding Historische Wetenschap. Je ziet welke onderwerpen de meeste ruimte krijgen en waar de punten waarschijnlijk liggen. Ook zie je wat de meeste denkkracht kost en hoe je je studietijd verdeelt. Het vak heeft twee schriftelijke deeltentamens met elk vijf korte open vragen. In een paar zinnen reflecteer je op de stof. Deeltentamen I gaat over Kamp, Geschiedenis schrijven!, in week 2 tot en met 6. Deeltentamen II gaat over Maza, Thinking about History, in week 8 tot en met 12. De analyse beslaat het hele vak.

Onderwerpen van Inleiding Historische Wetenschap naar aandeel, verwachte punten, moeilijkheid en studietijd
OnderwerpAandeel in de stofverwachte puntenMoeilijkheidStudietijd
De historische vraagstelling6%7%3 van 57%
Bouwstenen van de historische methode10%11%3 van 510%
Bronnenkritiek in de praktijk8%9%4 van 59%
Verhaal en betoog8%8%3 van 58%
Stijl, annotatie en presentatie7%7%2 van 56%
Wiens geschiedenis?11%11%4 van 511%
Waar speelt geschiedenis?10%10%4 van 510%
Wat is het onderwerp?10%10%4 van 510%
Hoe geschiedenis gemaakt wordt10%9%4 van 59%
Oorzaken of betekenissen10%9%5 van 510%
Feiten of ficties10%9%5 van 510%

Aandeel in de tentamenstof

De stof valt uiteen in twee boeken van ongelijke omvang. De zes hoofdstukken van Maza vullen samen ruim de helft van het vak. Ze zijn bijna even groot, met Wiens geschiedenis? als grootste onderwerp. Daarin passeren Thompson, agency, gender en homo- en lesbische geschiedenis. Oorzaken of betekenissen en Feiten of ficties volgen vlak daarachter. Bij Kamp is Bouwstenen van de historische methode het grootste blok. Het is even groot als een hoofdstuk van Maza: bronnen, literatuursoorten, archieven en zoeken. De historische vraagstelling is het kleinste onderwerp van het vak. Stijl, annotatie en presentatie is ook klein. Klein betekent hier kort in de stof. De soorten vraagstelling komen in elk later hoofdstuk van Kamp terug.

Zo pak je het aan: Maak per onderwerp een lijst van de begrippen uit het kernblok, met één eigen voorbeeld per begrip. Een korte open vraag begint vaak bij precies zo'n begrip.

Puntenverdeling per onderwerp

De punten volgen de omvang niet helemaal, want toetsbaarheid weegt mee. Kamp wint daardoor terrein. Vraagstelling, bouwstenen en bronnenkritiek hebben scherpe begrippen die zich goed laten bevragen. Bouwstenen van de historische methode deelt zo de top met Wiens geschiedenis?. De laatste drie hoofdstukken van Maza zakken juist iets. Debatten over oorzaken, objectiviteit en de rol van archieven zijn lastiger in een paar zinnen te vangen. Toch levert Maza samen nog steeds het grootste deel van de verwachte punten. Bedenk wel hoe de toets is opgebouwd. Elk deeltentamen heeft vijf vragen. Bij Kamp staan vijf onderwerpen tegenover vijf vragen. Bij Maza delen zes hoofdstukken die vijf vragen.

Zo pak je het aan: Oefen voor Kamp antwoorden die een begrip definiëren en het direct toepassen op een bron of vraag. Voor Maza oefen je antwoorden die een positie noemen, de historicus erbij zetten en één voorbeeld geven.

Moeilijkheidsgraad van de onderwerpen

Twee onderwerpen springen eruit: Oorzaken of betekenissen en Feiten of ficties. Daar staan de meeste posities naast elkaar. Je moet het marxisme, de Annales, microgeschiedenis, Geertz en Foucault uit elkaar houden. Bij Feiten of ficties volgen Novick, de talige wending, White en de gekwalificeerde objectiviteit elkaar op. De andere Maza-hoofdstukken vragen ook veel denkwerk. Dat geldt ook voor Bronnenkritiek in de praktijk, het lastigste stuk van Kamp. Daar moet je een gekleurde bron toch kunnen gebruiken en stiltes in het archief herkennen. De rest van Kamp is beter te overzien. Stijl, annotatie en presentatie is het lichtste onderwerp. Het draait vooral om afspraken en regels.

Zo pak je het aan: Zet bij Maza H5 en H6 elke positie op een kaartje: wie, welke stelling, welk begrip, welke kritiek. Een vraag naar een debat beantwoord je dan door twee kaartjes naast elkaar te leggen.

Waar leg je je prioriteit?

Eerst: Wiens geschiedenis?, Waar speelt geschiedenis? en Wat is het onderwerp?. Die drie hoofdstukken van week 8 combineren veel punten met veel denkwerk. Snel: Bouwstenen van de historische methode levert veel op en is goed te doen. Primaire en secundaire bronnen, literatuursoorten en peer review zijn heldere begrippen. Tijd: Bronnenkritiek in de praktijk, Hoe geschiedenis gemaakt wordt, Oorzaken of betekenissen en Feiten of ficties. Ze zijn lastig en leveren net iets minder punten op. Reken hier op meer herhaling. Bijvangst: De historische vraagstelling, Verhaal en betoog en Stijl, annotatie en presentatie. Ze zijn klein en overzichtelijk. Sla ze toch niet over, want bij vijf vragen telt elk onderwerp.

Zo pak je het aan: Leer de bijvangst als gereedschap bij de andere onderwerpen. Benoem bij een bron uit Maza welke vraagstelling erachter zit, beschrijvend, verklarend of verkennend.

Je studieplan

Verdeel je tijd naar het gewicht van de onderwerpen. Maza krijgt ruim de helft van je studietijd, Kamp de rest. Week 8 is de zwaarste week van het vak. Drie hoofdstukken van Maza vragen daar bijna een derde van je totale studietijd. Spreid ze over week 8 en 9, want week 9 heeft geen nieuwe literatuur. Week 11 en 12 hebben elk één hoofdstuk, maar zijn het zwaarst in denkwerk. Plan daar extra herhaling vlak voor deeltentamen II. Voor deeltentamen I is de stof gelijkmatiger verdeeld. Week 3 en 4, bouwstenen en bronnenkritiek, krijgen het meeste tijd. Week 2 en 6 kun je sneller doen.

Zo pak je het aan: Schrijf na elke week drie antwoorden van een paar zinnen op een vraag als: leg uit en geef een voorbeeld. Controleer of je de positie van Kamp of Maza juist weergeeft, zonder er je eigen mening van te maken.

Kernbegrippen per onderwerp

De historische vraagstelling

Beschrijvende vraagstelling
Een vraag naar aspecten en kenmerken van een onderwerp, met een beschrijving zonder oordeel als antwoord.
Verklarende vraagstelling
Een vraag naar de oorzaken van een verschijnsel of naar andere verbanden tussen verschijnselen.
Verkennende vraagstelling
Een vraag met een toetsend, voorschrijvend of adviserend karakter.
Eisen aan een goede vraag
Een onderzoeksvraag is precies, historisch zinvol, vrij van verborgen oordelen, concreet en haalbaar.
Status quaestionis
Een kritisch overzicht van hoe de geschiedschrijving over een onderwerp zich heeft ontwikkeld.
Hypothese
Een voorlopige veronderstelling, vaak over een verklaring, waarvan je de juistheid nog moet onderzoeken.
Kroniek
Een chronologische opsomming van samenhangende feiten; zonder vraag blijft er niet meer over.
Onderzoeksplan
Het plan met deelvragen, methode en planning dat een vraag uitvoerbaar maakt.

Bouwstenen van de historische methode

Primaire bron
Documentatie die rechtstreeks uit de onderzochte tijd komt; of een tekst bron is, hangt af van je vraag.
Secundaire bronnen (literatuur)
Wetenschappelijke publicaties voor achtergrond en voor de theoretische en historiografische inbedding van je onderzoek.
Handboek, monografie en bundel
Een breed overzicht, een boek over één onderwerp en een boek met losse bijdragen van verschillende auteurs.
Peer review
Andere wetenschappers beoordelen een artikel, waarna de redactie besluit of het geplaatst wordt.
Trefwoord en titelwoord
Een trefwoord kent de catalogiseerder toe, een titelwoord zette de auteur zelf in de titel.
Soorten bronnen
Tekstueel, materieel, visueel, mondeling en digitaal; die grenzen zijn relatief.
Performatieve kracht
De invloed die de eigenschappen van een bron hebben op de historicus die ermee werkt.
Archief en inventaris
Een samenhangende collectie documenten, en de genummerde beschrijving van de onderdelen ervan.

Bronnenkritiek in de praktijk

Drie niveaus van literatuur
Het historische, het historiografische en het theoretische niveau, elk met een eigen soort informatie.
Tekstanalyse in vier rondes
Lees eerst inleiding en conclusie, dan de opbouw, en pas daarna de lopende tekst.
Kwantitatief bronnenonderzoek
Statistische bewerking van seriële data, zoals ondertrouwakten om migranten in kaart te brengen.
Kwalitatief bronnenonderzoek
Analyse van de tekstuele, visuele of materiële inhoud van bronnen, zoals close reading of discourse-analyse.
Bronnenkritiek
Verantwoorden welke vervormingen en ontbrekende informatie in je bronnen de interpretatie kunnen hinderen.
Along and against the archival grain
Naar Stoler: volg je de indeling en tekst van het archief, of lees je ertegenin en tussen de regels?
Periodisering
Een indeling in de tijd, meestal achteraf gemaakt vanuit een bepaalde historische vraag.
Steekproef
Een selectie van bijvoorbeeld representatieve jaren, waarvan je de criteria moet kunnen verantwoorden.

Verhaal en betoog

Vijf onderdelen van de inleiding
Onderwerp, vraag, rechtvaardiging, theorie en methode, en een aankondiging van de hoofdstukken.
Conclusie als synthese
De conclusie beantwoordt de hoofdvraag systematisch en benoemt wat dat betekent voor het debat.
Diachronische ordening
Een opbouw door de tijd, die een ontwikkeling chronologisch volgt.
Synchronische ordening
Een opbouw die verschillende aspecten van één periode of verschijnsel belicht.
Eén boodschap per alinea
Elke alinea draait om één punt, met de kernzin vooraan of als sluitstuk.
Essentiële en ondersteunende alinea's
De ene soort bouwt het betoog op, de andere onderbouwt het met concrete voorbeelden.
Impliciet aanwezige auteur
De historicus blijft onzichtbaar in de tekst en geeft zijn oordeel expliciet, zonder suggestieve stijl.
Plagiaat
Inzichten of kennis van een ander overnemen zonder zorgvuldige verwijzing.

Stijl, annotatie en presentatie

Persoonlijke voornaamwoorden
Een verslag vermijdt ons, wij, je en men; ik staat alleen in het voorwoord of een expliciet debat.
Werkwoordstijden
Het verleden staat in de verleden tijd, het debat erover in de tegenwoordige tijd.
Algemene uitspraak
Een uitspraak over gedeelde eigenschappen van verschillende gebeurtenissen, altijd voor een benoemde tijd en plaats.
Exacte uitspraak
Een uitspraak over één unieke gebeurtenis, precies te plaatsen in tijd en ruimte.
Verwijswoorden
Woorden als dit en deze; spaarzaam gebruiken en liever het onderwerp herhalen.
Annotatieregels
Afspraken over verwijzen, volgens De Buck, die alles controleerbaar maken.
Betogend, informatief of toetsend
De drie karakters van een presentatie: overtuigen, inlichten of plannen voorleggen voor commentaar.
Referent
Een expert met een voorbereide reactie die eerst de sterke punten noemt en zakelijk kritiek geeft.

Wiens geschiedenis?

History from above
Geschiedschrijving die het verleden ziet door de daden van heersers, legeraanvoerders en politieke elites.
Cliometrics
Economische theorie en rekenmethoden toepassen op de studie van de geschiedenis.
Class consciousness (Thompson)
Het besef van gedeelde uitbuiting, afgeleid uit concrete ervaringen in een bepaalde tijd en plaats.
Moral economy (Thompson)
Opvattingen van achttiende-eeuwse menigten over een eerlijke prijs, waarmee ze zich tegen de markt verzetten.
Hidden transcript (Scott)
Wat machtelozen buiten het zicht van de machthebbers zeggen en doen.
Infrapolitics (Scott)
Klein, verborgen verzet, zoals tijd rekken of gereedschap beschadigen.
Agency
Het vermogen om doelbewust in te grijpen in je eigen omstandigheden.
Gender (Joan Scott)
Mannelijkheid en vrouwelijkheid als maaksel van de samenleving, en een primaire manier om machtsverhoudingen te betekenen.

Waar speelt geschiedenis?

Imagined community (Anderson)
De natie als verbeelde, begrensde en soevereine gemeenschap van mensen die elkaar nooit ontmoeten.
Invention of tradition
Ceremonies en symbolen die eeuwenoud lijken, maar recent zijn gemaakt voor nationale verbondenheid.
National memory
Hoe een natie haar verleden selecteert, sommige dingen herdenkt en andere wegzwijgt.
Atlantic history
De studie van de wisselwerking tussen bevolkingen rond de Atlantische Oceaan.
Middle ground (White)
Een gebied waar geen partij zich met geweld kon opleggen en culturen elkaar moesten leren begrijpen.
Borderlands
Een benadering van grenzen die migranten of smokkelaars ondermijnen, en van contactzones aan de rand van imperia.
Great Divergence (Pomeranz)
De vraag waarom Europa de rest van de wereld voorbijstreefde; bij Pomeranz een late, toevallige divergentie.
Provincializing Europe (Chakrabarty)
Europa naar de rand schuiven en Europese categorieën als achterlijk en modern bevragen.

Wat is het onderwerp?

Unit ideas (Lovejoy)
Een beperkte set filosofische basisideeën die door de eeuwen heen in nieuwe combinaties terugkomen.
Contextualisme (Skinner)
Een tekst begrijpen als bijdrage aan het gesprek van zijn eigen tijd.
Paradigm (Kuhn)
Een erkende wetenschappelijke prestatie die een tijdlang bepaalt welke problemen en oplossingen als voorbeeld gelden.
Incommensurability
Twee paradigma's zijn niet met dezelfde maat te meten.
Constructivism
Wetenschappelijke kennis zien als menselijk product van een bepaalde tijd, plaats en gemeenschap.
Symmetry postulate
Winnaar en verliezer van een wetenschappelijke strijd op dezelfde manier verklaren.
Industrious revolution
Huishoudens gingen harder werken om goederen te kopen in plaats van ze zelf te maken.
Environmental determinism
De opvatting dat geografie en biologie de loop van de geschiedenis grotendeels bepalen.

Hoe geschiedenis gemaakt wordt

Popular history
Geschiedschrijving in levendig proza voor een breed publiek zonder vakkennis.
Public history
Het werk van historici in musea, erfgoedplekken, nationale parken en archieven.
Heritage
Het bewaren van nationale plekken en het naspelen van omgevingen en gebeurtenissen.
Orthodoxie
De gangbare, schijnbaar vanzelfsprekende visie op een historische vraag.
Revisionisme
De poging de gevestigde visie te vervangen, intern door debat of extern vanuit de marges.
Archivale macht (Trouillot)
Staten en archieven bepalen welk verleden toegankelijk is en welke verhalen verstommen.
Reading against the grain
Een bron gebruiken voor informatie waarvoor hij niet gemaakt is, om zijdelingse stemmen terug te vinden.
Historical linguistics
Uit verwante woorden in verschillende talen een oertaal en oudere samenlevingen reconstrueren.

Oorzaken of betekenissen

Synchronic en diachronic
Samenhang op één moment beschrijven, tegenover verandering door de tijd analyseren.
Histoire totale
Het Annales-ideaal om te beschrijven hoe alle aspecten van een samenleving in elkaar grijpen.
Colligation (Roberts)
Volgen hoe meerdere factoren samen uitmonden in een uitkomst, in een mengsel van verhaal en analyse.
Events as transformations of structures (Sewell)
Gebeurtenissen die structuren ingrijpend veranderen en daarom evenveel aandacht verdienen als hun oorzaken.
Microhistory
Een onbekende persoon of groep in een crisis, als ingang tot een bredere vraag.
Thick description (Geertz)
Een handeling zoveel mogelijk van haar gelaagde betekenissen voorzien.
Genealogy (Foucault)
Een alternatief voor causaliteit: veel toevallige, vertakte begintijden en geen centrale oorzaak.
Mindful eclecticism (Hunt)
Verschillende problemen vragen verschillende methoden; geen methode beantwoordt elke vraag.

Feiten of ficties

Historical objectivity (Novick)
De overtuiging dat waarheid overeenstemt met een echt verleden, met een scherpe scheiding tussen feit en fictie.
Structuralism
Betekenis komt voort uit talige of culturele codes, via het verschil tussen termen.
Linguistic turn
Historici lezen bronnen als patronen van woorden en verhalen, minder als doorzichtig raam op het verleden.
Emplotment (White)
Feiten in een verhaalvorm gieten: romance, komedie, tragedie of satire.
Ras als ideologie (Fields)
Ras als geloof dat mensen vasthouden, ook tegen veel bewijs in.
Cultural constructionism
Ook schijnbaar biologische identiteiten worden bepaald door hoe mensen erover spreken en denken.
Qualified objectivity
Appleby, Hunt en Jacob: de historicus is subjectief, maar de sporen van het verleden begrenzen wat hij kan zeggen.
Verbeelding of vervalsing
Bellesiles, Abraham en Davis tegen Finlay laten zien dat die grens een kwestie van oordeel blijft.

Waar het bij Inleiding Historische Wetenschap meestal misgaat

Deze fouten volgen uit de stof zelf: begrippen die op elkaar lijken, voorwaarden die samen moeten gelden, een uitzondering die blijft hangen als hoofdregel.

Primair en secundair als vast etiket

Wat er misgaat: Je noemt een boek secundaire literatuur omdat een historicus het schreef, ongeacht je vraag. Een roman, memoires of een oud handboek kunnen bij jou nooit een bron zijn.

Hoe het wel moet: Begin bij de vraag. Een primaire bron komt rechtstreeks uit de tijd die je onderzoekt. Secundaire literatuur is wetenschappelijk werk voor achtergrond en historiografische inbedding. Zeg dus bij welke vraag een tekst welke rol heeft. Een boek uit de jaren twintig over de Gouden Eeuw is literatuur bij een vraag over de zeventiende eeuw. Het is een bron bij een vraag over hoe men in de jaren twintig naar die eeuw keek.

Waardoor het komt: Je leert de tweedeling als een soort tekst, en het woord "literatuur" klinkt als een vaste categorie. Kamp noemt het onderscheid relatief. Onderzoek je hoe historici de afgelopen honderd jaar over het slavernijverleden schreven, dan zijn hun publicaties jouw primaire bronnen.

Waaraan je het herkent: Je typeert een tekst zonder dat de onderzoeksvraag in de zin voorkomt. Of je schrijft dat fictie, memoires of een handboek "geen bron" kunnen zijn.

Bronnenkritiek als betrouwbaar of onbetrouwbaar

Wat er misgaat: Je stelt vast dat een bron gekleurd of onvolledig is en concludeert dat je hem niet kunt gebruiken. Bij een verhoor vraag je alleen of de verdachte de waarheid sprak.

Hoe het wel moet: Behandel bronnenkritiek als verantwoording over vervormingen en ontbrekende informatie. Vraag waar de bron vandaan komt, wie hem maakte, waarom hij gemaakt en bewaard is, en hoe uniek hij is. Zeg daarna wat de bron ondanks die gebreken vertelt. Bij een verhoor is de dader vaak niet zeker te vinden. Informatie over buren, relaties en macht is bruikbaarder, want ook een onware verklaring moest geloofwaardig klinken.

Waardoor het komt: Het woord kritiek klinkt als afkeuren, en een ja of nee voelt als een stevig oordeel. Volgens Kamp is elke bron per definitie gekleurd. De maker koos wat erin kwam, en specifieke omstandigheden bepaalden wat bewaard bleef. Het etiket "onbetrouwbaar" zegt dan nog weinig.

Waaraan je het herkent: Je alinea eindigt met "dus onbetrouwbaar" of "dus niet bruikbaar". Of je vraagt alleen naar de schuld van de verdachte en niet naar de wereld eromheen.

Fictie lezen als verzonnen

Wat er misgaat: Je schrijft dat postmodernisten alle bronnen leugens vinden, of dat Hayden White historici verwijt dat ze dingen verzinnen. De talige wending wordt in je antwoord: er bestaan geen feiten.

Hoe het wel moet: Leg uit wat White beweert: feiten worden pas begrijpelijk in een plot, en de historicus legt die plot erop, meestal onbewust. Noem de vier vormen: romance, komedie, tragedie en satire. Zeg dat goed en slecht werk voor White te onderscheiden blijven aan grondig onderzoek, logica en verantwoord gebruik van bewijs. Plaats daarna de middenweg van Appleby, Hunt en Jacob: gekwalificeerde objectiviteit.

Waardoor het komt: Het woord fictie klinkt als onwaar, en de felle reacties van Elton en Evans versterken dat beeld. In de oorspronkelijke zin betekent fictie iets wat gemaakt en gevormd is. White zegt niet dat historici bronnen verzinnen, en hij erkent dat er feiten zijn.

Waaraan je het herkent: De woorden "leugen", "verzinsel" of "alles is relatief" in een zin over White of de talige wending. Of je zet Davis in één rijtje met Bellesiles.

Het vraagtype afleiden uit één woord

Wat er misgaat: Je noemt een vraag verklarend zodra er een verband of het woord "beïnvloedde" in staat. Of je beantwoordt een verklarende vraag zonder eerst te beschrijven wat je verklaart.

Hoe het wel moet: Benoem het type, wijs het woord aan dat het verraadt en kijk wat het onderzoek oplevert. Een beschrijvende vraag vraagt naar kenmerken, een verklarende naar oorzaken of verbanden. Een verkennende vraag toetst, schrijft voor of adviseert. Laat bij een verklarende vraag de beschrijvende eronder zien. Van Nederveen Meerkerk beschrijft eerst hoe het textielwerk tussen de seksen verdeeld was, en verklaart pas daarna.

Waardoor het komt: Vraagwoorden als "hoe" en "waardoor" geven het type aan, en dat lijkt een sluitende regel. Kamp laat zien dat het lastiger is. De Langhe, Mechant en Devos vroegen hoe de situatie van een streek het latere leven van ongehuwde moeders beïnvloedde. Dat klinkt verklarend, toch brengt het onderzoek die invloed vooral in beeld.

Waaraan je het herkent: Je typering steunt op één vraagwoord en zegt niets over wat het antwoord oplevert. Of je verklaring begint bij oorzaken, terwijl nergens staat hoe de situatie eruitzag.

Een verslag als neutraal verhaal

Wat er misgaat: Je denkt dat een chronologisch verslag gewoon vertelt wat er gebeurde. Je conclusie loopt de hoofdstukken nog eens langs en stopt daar.

Hoe het wel moet: Laat zien dat ook een verhaal een betoog is. De auteur kiest thema's, periodisering en feiten, en verantwoordt die keuzes. Maak de conclusie een synthese die de hoofdvraag systematisch beantwoordt. Zeg daarna wat de uitkomst betekent voor het debat waarmee de inleiding begon.

Waardoor het komt: Een diachronische tekst groeit hoofdstuk voor hoofdstuk naar een antwoord, dus een samenvatting voelt als genoeg. De auteur is in de gangbare stijl bovendien onzichtbaar. Kamp stelt dat het verleden zelf geen verhaal is. Een beschrijving van een periode is daarom een visie, en een historisch verslag schrijven is argumenteren.

Waaraan je het herkent: Je conclusie noemt de hoofdvraag niet en zegt niets over het debat. Of je noemt een beschrijvend hoofdstuk "objectief" omdat er geen "ik" in staat.

Vrouwengeschiedenis en gendergeschiedenis als synoniemen

Wat er misgaat: Je noemt Lerner en Scott in één adem als vrouwengeschiedenis. Gender is in je antwoord gewoon een ander woord voor vrouwen.

Hoe het wel moet: Zet de twee als stappen naast elkaar. Vrouwengeschiedenis (Clark, Rowbotham, Lerner, Kelly) vraagt waar vrouwen waren en hoe ze werden onderdrukt. Ze maakte de privésfeer tot terrein van macht. Gendergeschiedenis vraagt wat mannelijkheid en vrouwelijkheid betekenden en hoe dat macht verdeelde. Daardoor raakt ze elk terrein, ook oorlog, burgerschap en verhoudingen tussen mannen onderling.

Waardoor het komt: Beide velden gaan over vrouwen, ze volgden kort op elkaar en Maza behandelt ze in één paragraaf. Gerda Lerner hoort bij de eerste stap: de zoektocht naar de oorsprong van het patriarchaat. Joan Scott (1986) maakte gender tot "a primary way of signifying relationships of power".

Waaraan je het herkent: Je voorbeeld van gendergeschiedenis gaat alleen over vrouwen. Of de totale oorlog, het mannelijke burgerschap en keizerlijk China ontbreken als je uitlegt wat Scott toevoegt.

Verbeeld lezen als onecht

Wat er misgaat: Je schrijft dat Anderson laat zien dat de natie niet echt bestaat. Denaturaliseren wordt in je antwoord het ontmaskeren van een illusie.

Hoe het wel moet: Leg denaturaliseren uit als laten zien hoe en waarom de natie is ontstaan, en dat ze jong en gemaakt is. Geef per begrip een mechanisme met een voorbeeld. Drukkapitalisme en de krant horen bij Anderson. Quatorze juillet (pas in 1880 een nationale feestdag) of de kilt horen bij de uitvinding van traditie. Renan, Blight of Vichy horen bij geheugen en vergeten. Sluit af met de grens van het argument: een gemaakte natie bepaalt het leven van miljoenen mensen.

Waardoor het komt: Imagined klinkt als verzonnen, en de uitvinding van traditie versterkt die indruk. Anderson bedoelt dat leden van een natie elkaar nooit ontmoeten, dus de gemeenschap bestaat vooral in hun hoofd. Maza waarschuwt dat naties heel concrete gevolgen hebben: legers, scholen, wetten, politie, volkstellingen en paspoorten.

Waaraan je het herkent: Woorden als "nep", "illusie" of "bestaat niet" in je antwoord. Of geen enkel concreet gevolg van de natie naast de stelling dat ze verbeeld is.

Oude kennis meten aan wat later waar bleek

Wat er misgaat: Je noemt Aristoteles' natuurkunde een gebrekkige voorloper van Newton, of Hobbes de verliezer die gewoon ongelijk had. Of je schrijft dat Rousseau het draaiboek leverde voor het totalitarisme.

Hoe het wel moet: Lees een tekst of theorie in haar eigen tijd. Skinner vraagt aan wie een schrijver toen antwoordde. Kuhn zag dat de onderdelen van Aristoteles' mechanica samen een sluitend systeem vormden. Gebruik het symmetriepostulaat: verklaar winnaar en verliezer op dezelfde manier, zoals Shapin en Schaffer bij Boyle en Hobbes. Zeg erbij dat de waarheidsvraag bewust blijft rusten, zodat constructivisme niet klinkt als "alles is verzonnen".

Waardoor het komt: Achteraf weet je wie won, en vooruitgang is een vertrouwd verhaal. De wetenschapsgeschiedenis was lang een heldenepos van genieën op elkaars schouders. Kuhn en Skinner braken met dat beeld. Skinner noemt het dwaas om een denker verantwoordelijk te maken voor iets dat eeuwen later gebeurde.

Waaraan je het herkent: Woorden als "primitief" of "had het nog niet door" bij een oude theorie. Of je verklaart Boyles winst met zijn gelijk en Hobbes' verlies met zijn ongelijk.

Revisionisme als scheldwoord of politieke kleur

Wat er misgaat: Je gebruikt revisionisme voor geschiedvervalsing of voor een linkse of rechtse agenda. Of je schrijft dat een revisionistische visie daarom fout is.

Hoe het wel moet: Definieer orthodoxie en revisionisme en geef twee uitkomsten. Het revisionisme over de Franse Revolutie, met Cobban (1964) als Copernicus, werd zo breed gedeeld dat het niet meer revisionistisch heet. Goldhagens these overtuigde de vakgenoten niet. Laat ook zien dat er geen vaste politieke kleur is. Bij de Franse Revolutie stond de orthodoxie links, bij de Koude Oorlog rechts.

Waardoor het komt: In het dagelijks taalgebruik klinkt het woord verdacht. Bij Maza is het een neutraal vakbegrip. Het is de poging een gevestigde visie te vervangen door een interpretatie die eerst tegen de intuïtie ingaat. Het zegt niets over wie gelijk heeft.

Waaraan je het herkent: Je koppelt revisionisme aan ontkenning of leugens. Of je voorbeeld kent maar één uitkomst, alsof herzien altijd wint of altijd verliest.

Een betekenis lezen als verklaring

Wat er misgaat: Je schrijft dat Ginzburg verklaart waarom Menocchio ketters werd, of dat de kattenslachting de Revolutie aankondigde. Microgeschiedenis wordt in je antwoord een kleine oorzakenstudie.

Hoe het wel moet: Gebruik Maza's tweedeling: synchroon tegenover diachroon, betekenis tegenover oorzaak. Microgeschiedenis en cultuurgeschiedenis reconstrueren betekenis op één moment; in Maza's beeld is dat een foto. Ginzburg vroeg hoe de ketterse molenaar zijn wereld zag. Houd Kamps diachronische en synchronische ordening apart. Bij Kamp gaat het om de opbouw van je tekst, bij Maza om de vraag die je stelt.

Waardoor het komt: Je leert dat geschiedenis oorzaken zoekt, en Carr schreef dat ook. Ginzburg verklaarde geen verandering en beweerde niet dat Menocchio's ideeën iets teweegbrachten. Darnton begint bij een grap die wij niet snappen. De oorsprong van de Revolutie is daar zijn onderwerp niet.

Waaraan je het herkent: Woorden als "leidde tot" of "veroorzaakte" bij Ginzburg, Darnton of Laqueur. Of je haalt Kamps synchronische ordening aan als bewijs voor Maza's betekenis.

Een positie opschrijven als feit

Wat er misgaat: Je schrijft "erfgoed is het tegendeel van geschiedenis" of "de natie is een slechte eenheid van vergelijking" en zegt niet wie dat stelt. Een these van Lowenthal, Pomeranz of Goldhagen staat dan als vaststaand feit of als je eigen mening.

Hoe het wel moet: Noem de naam vooraan, zoals Lorenz doet bij Ankersmit, en laat de hele alinea bij die positie horen. Geef daarna Maza's oordeel of het debat erover. Begin een nieuwe alinea zodra je eigen visie of die van een derde volgt. Bij Goldhagen hoort er dan bij dat zijn these tegen decennia onderzoek inging.

Waardoor het komt: Maza bespreekt vooral posities van anderen, en in je aantekeningen vallen de namen snel weg. Kamp laat zien wat er dan gebeurt: wie een idee zonder afstand opneemt, onderschrijft het. Bovendien zet Maza zelf kanttekeningen, zoals bij Lowenthal: erfgoed kan ook debat uitlokken.

Waaraan je het herkent: Een stellige zin uit Maza zonder naam ervoor. Of je eigen oordeel staat in dezelfde alinea als de positie die je bespreakt, zonder overgang.

Een algemene uitspraak zonder tijd, plaats en bewijs

Wat er misgaat: Je schrijft "studenten waren toen armer dan nu" of "men ziet dit als een keerpunt" en gaat door. Er staat geen periode, geen plaats en geen concreet gegeven bij.

Hoe het wel moet: Koppel elke algemene uitspraak aan tijd en plaats, zoals Nederland in de jaren vijftig. Onderbouw haar met exacte uitspraken over één moment, zoals de rookbommen achter de Gouden Koets op 10 maart 1966. Herschrijf "men ziet" tot "wordt vaak gezien als", met een voetnoot over wie dat vindt. Noem ook de geografische context, want volgens Kamp is het ene Duitsland het andere niet.

Waardoor het komt: Algemene uitspraken zijn volgens Kamp het hoofddoel van onderzoek, dus ze voelen als de kern van je tekst. Kamp zet er twee kanttekeningen bij. Ze moeten steunen op exacte uitspraken. En ze gelden altijd binnen een bepaalde tijd en plaats.

Waaraan je het herkent: Je zin bevat "men", "toen" of "vroeger" zonder jaartal of plaats. Of een uitspraak over een heel decennium staat er zonder één concreet geval of bron.

Nu weet je waar je moet beginnen

De samenvatting van Inleiding Historische Wetenschap volgt de colleges, week voor week. Week 2 lees je gratis met een account.

Begin gratis met week 2 · Samenvatting Inleiding Historische Wetenschap · Bekijk prijzen

Let op: deze analyse is een inschatting op basis van de samenvatting van dit vak, niet van eerdere tentamens. De grafieken laten zien hoe zwaar de onderwerpen in de leerstof wegen en hoe complex ze zijn. Gebruik ze om je prioriteiten te bepalen, niet als blauwdruk voor het tentamen. Een goede voorbereiding blijft altijd breder dan wat je hier ziet.