Geschiedenis jaar 1 · Leiden (EG)
Welke onderwerpen krijgen de meeste ruimte, waar liggen de punten en wat kost de meeste denkkracht? De stof van Europese Geschiedenis doorgerekend, met de plekken waar studenten in dit vak de mist in gaan. Gratis te lezen.
Deze pagina ontleedt de vorm van het tentamen Europese Geschiedenis. Hij laat zien welke onderwerpen de meeste ruimte krijgen, waar de punten waarschijnlijk liggen, wat de meeste denkkracht kost en hoe je je studietijd verdeelt. Het deeltentamen vraagt vooral om verklaren, vergelijken en positie nemen in open vragen en een essay. De analyse beslaat nu week 1 tot en met 5, van de late middeleeuwen tot het absolutisme (hoofdstuk 11 tot en met 15), en groeit mee met de rest van het vak.
| Onderwerp | Aandeel in de stof | verwachte punten | Moeilijkheid | Studietijd |
|---|---|---|---|---|
| De crisis van de veertiende eeuw | 10% | 10% | 3 van 5 | 9% |
| De Honderdjarige Oorlog en de nieuwe monarchieën | 6% | 6% | 3 van 5 | 6% |
| De kerk in crisis: Avignon, Schisma en kritiek | 6% | 7% | 3 van 5 | 7% |
| Renaissance en humanisme | 15% | 12% | 4 van 5 | 12% |
| Ras, gender en de ander | 7% | 6% | 4 van 5 | 7% |
| De protestantse Reformaties | 11% | 12% | 4 van 5 | 12% |
| Contrareformatie, godsdienstoorlogen en heksenjacht | 6% | 6% | 3 van 5 | 6% |
| De Europese expansie | 10% | 10% | 3 van 5 | 9% |
| Koloniale rijken en de eerste wereldeconomie | 8% | 8% | 4 van 5 | 8% |
| De crisis van de zeventiende eeuw en de Dertigjarige Oorlog | 5% | 6% | 3 van 5 | 6% |
| Absolutisme in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa | 11% | 12% | 4 van 5 | 12% |
| Constitutionalisme in Engeland en de Republiek | 5% | 5% | 4 van 5 | 6% |
De stof is ongelijk verdeeld over twaalf onderwerpen. Renaissance en humanisme is met afstand het grootste blok: Noord-Italiaanse steden, humanisme, Machiavelli, drukpers, kunst en het debat over de term zelf. Daarna volgen De protestantse Reformaties en Absolutisme in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa, even groot, met vlak daarachter De crisis van de veertiende eeuw en De Europese expansie. Die vijf onderwerpen vullen samen ruim de helft van de stof. Aan de andere kant staan De crisis van de zeventiende eeuw en Constitutionalisme in Engeland en de Republiek als kleinste onderwerpen. Klein betekent hier kort in het boek: beide zijn nodig om het absolutisme van week 5 te kunnen plaatsen.
Zo pak je het aan: Maak per groot onderwerp een schema met oorzaken, verloop en gevolgen op één blad. Dat schema is de ruggengraat van een essayantwoord.
De punten volgen de omvang niet helemaal, omdat toetsbaarheid meeweegt. Renaissance en humanisme is het grootste onderwerp, maar zakt terug naar het niveau van De protestantse Reformaties en Absolutisme in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa: kunst, stijlen en begrippen lenen zich minder voor een verklaringsvraag. Die drie delen de top en brengen samen iets meer dan een derde van de verwachte punten op. De Reformaties en het absolutisme stijgen juist: waarom de Reformatie aansloeg en hoe vorsten hun macht opbouwden zijn klassieke verklaar- en vergelijkvragen. Ook De kerk in crisis weegt in punten iets zwaarder dan in omvang, omdat Avignon, het Schisma en de kritiek de aanloop naar Luther vormen.
Zo pak je het aan: Oefen voor de drie toponderwerpen elk een antwoord dat begint met een stelling, twee of drie oorzaken onderbouwt en eindigt met een gevolg. Zo scoor je op argument en op kennis tegelijk.
Zes onderwerpen vragen meer denkkracht dan de rest: Renaissance en humanisme, Ras, gender en de ander, De protestantse Reformaties, Koloniale rijken en de eerste wereldeconomie, Absolutisme in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa en Constitutionalisme in Engeland en de Republiek. Wat ze gemeen hebben is dat feiten alleen niet volstaan. Bij de renaissance moet je het debat over de term kunnen voeren, bij ras en gender verschuivende opvattingen van huidskleur tot zuiverheid van bloed uitleggen, bij de koloniale rijken een keten van suiker, slavernij, zilver en prijsstijging volgen. Absolutisme en constitutionalisme vragen om vergelijken. De andere zes, zoals De Honderdjarige Oorlog en de Contrareformatie, zijn beter te overzien.
Zo pak je het aan: Zet absolutisme en constitutionalisme naast elkaar in een vergelijkingstabel met dezelfde criteria per land. Een vergelijkingsvraag beantwoord je dan dan criterium voor criterium, met beide landen in elke alinea.
Eerst: Renaissance en humanisme, De protestantse Reformaties en Absolutisme in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa. Veel punten en veel denkwerk, dus hier gaat je beste tijd heen. Snel: De crisis van de veertiende eeuw en De Europese expansie leveren veel punten op en zijn goed te doen, want ze draaien om heldere ketens van oorzaak en gevolg. Tijd: Ras, gender en de ander, Koloniale rijken en de eerste wereldeconomie en Constitutionalisme in Engeland en de Republiek zijn lastig bij minder punten. Bijvangst: De Honderdjarige Oorlog, De kerk in crisis, de Contrareformatie en de crisis van de zeventiende eeuw. Die leer je het best mee als achtergrond bij de grote onderwerpen.
Zo pak je het aan: Koppel elk bijvangstonderwerp aan een eerst-onderwerp: de kerkkritiek aan Luther, de Dertigjarige Oorlog aan de groei van legers en het absolutisme. Zo wordt achtergrond bruikbaar als oorzaak in een essay.
Verdeel je tijd naar het gewicht van de onderwerpen. De drie eerst-onderwerpen krijgen elk het grootste deel, met De crisis van de veertiende eeuw en De Europese expansie direct daarna. Let op week 5: absolutisme, constitutionalisme en de crisis van de zeventiende eeuw vullen samen bijna een kwart van je studietijd, in één week stof. Week 4 met de expansie en de koloniale rijken is ook zwaar. Week 1 en 2 delen de renaissance, dus die kun je spreiden. Plan in de laatste weken voor het deeltentamen daarom ruimte voor week 4 en 5, en herhaal de vroege weken met vragen die over hoofdstukken heen lopen.
Zo pak je het aan: Schrijf elke week één oefenessay dat twee weken verbindt, bijvoorbeeld de kerkkritiek uit week 1 met de Reformatie uit week 3. Dat traint het verbinden dat een essayvraag verwacht.
Deze fouten volgen uit de stof zelf: begrippen die op elkaar lijken, voorwaarden die samen moeten gelden, een uitzondering die blijft hangen als hoofdregel.
Wat er misgaat: Op de vraag waarom de Reformatie aansloeg vertel je het verhaal van Tetzel, de stellingen van 1517 en Worms, en daar houdt het op.
Hoe het wel moet: Maak de aflaat de aanleiding en zet de oorzaken ernaast: antiklerikalisme, de drukpers, humanisten die een eenvoudig geloof zochten, steden die de belastingvrijdom van de clerus beu waren en vorsten die kerkgoed wilden. De doorslag gaf het gezag: een gebied werd protestants als vorst of stadsraad de hervormers binnenhaalde, en het versnipperde Rijk gaf daar de ruimte voor.
Waardoor het komt: De aflaat is het bekendste en meest concrete moment, dus hij voelt als de verklaring. Kritiek op de kerk bestond al eeuwen; de vraag is waarom ze rond 1520 massaal gehoor kreeg en waarom hele gebieden protestants werden.
Waaraan je het herkent: Je antwoord gaat alleen over wat Luther dacht en deed, zonder vorsten, stadsraden of het Rijk. Of Luther spijkert de stellingen aan de kerkdeur, een verhaal uit biografieën van na zijn dood.
Wat er misgaat: Je schrijft dat Lodewijk XIV alle macht had en zet Engeland en de Republiek daartegenover als democratieën.
Hoe het wel moet: Behandel absolutisme als aanspraak en als debat, met de grenzen erbij en per land een andere ruil met de adel (hof en patronage, macht over de horigen, dienstadel). Constitutioneel betekende soevereiniteit bij een parlement of Staten van bevoorrechte groepen, geen van beide was democratisch, en beide soorten staten werden sterker via belasting, leger, bureaucratie en expansie.
Waardoor het komt: Absolutisme is de aanspraak van de vorsten zelf, en de klassieke tweedeling nodigt uit tot twee tegenpolen. De auteurs laten zien dat macht op papier en in de praktijk verschilden: Lodewijk had de medewerking van de adel nodig, en Condé moest met de Staten van Bourgondië over het bedrag onderhandelen.
Waaraan je het herkent: "Absolute macht" zonder bron of kanttekening, geen woord over adel of onderhandeling, en niets over wat de twee staatsvormen gemeen hadden.
Wat er misgaat: Je verklaart de oorlog uit de kinderloze dood van Karel IV en de claim van Edward III op de Franse kroon, en stopt daar.
Hoe het wel moet: Werk in lagen: structureel Aquitanië en de Vlaamse wol, dan de aanleiding (1328 en de inbeslagname van Aquitanië in 1337), dan waarom hij zo lang duurde (de Bourgondiërs aan Engelse kant). Hetzelfde onderscheid geldt voor de Jacquerie en de Engelse opstand van 1381, waar een oorlogsbelasting de aanleiding was.
Waardoor het komt: De troonkwestie is het best te vertellen deel en schuift daardoor naar voren. Het is de aanleiding; de lange-termijnoorzaken lagen bij Aquitanië als Engels leen van de Franse kroon en bij de Vlaamse lakenindustrie die op Engelse wol draaide.
Waaraan je het herkent: Je oorzakenalinea begint en eindigt bij de Salische wet of Filips VI van Valois, en Vlaanderen komt er niet in voor.
Wat er misgaat: Je behandelt de renaissance als een tijdvak dat na de middeleeuwen begon en er radicaal mee brak: individualistisch en seculier tegenover corporatief en religieus.
Hoe het wel moet: Presenteer breuk en continuïteit als debat: de renaissance valt samen met de late middeleeuwen, is eerder een beweging dan een tijdvak, en familie, gilde en geloof bleven belangrijk. Neem mee dat sommige historici het woord betwijfelen omdat veel groepen erop achteruitgingen, en dat vrouwen, armen en het platteland er grotendeels buiten bleven.
Waardoor het komt: Dat is het beeld van Vasari, die het woord gebruikte om de kunst van zijn eigen tijd als wedergeboorte na eeuwen duisternis te prijzen, en historici hebben het lang overgenomen. Labels als middeleeuwen en renaissance zijn achteraf bedacht en dragen een waardeoordeel.
Waaraan je het herkent: "Na de duistere middeleeuwen" of een vast beginjaar van de renaissance, zonder dat Vasari, het debat of continuïteit ter sprake komt.
Wat er misgaat: Je leest "ras" en "zuiverheid van bloed" in de vijftiende en zestiende eeuw als een biologische rassenleer over huidskleur.
Hoe het wel moet: Volg de verschuiving die het boek schetst: van geloof naar bloed naar biologie, met de castas in de koloniën als tussenstap. Houd daarbij joden en conversos uit elkaar: de Inquisitie zocht bij gedoopte conversos naar heimelijk joods leven, de verdrijving van 1492 trof de onbekeerde joden.
Waardoor het komt: Het moderne woord ligt voor de hand, zeker naast de slavenhandel. In de stof betekende ras eerst volk of natie, ging zuiver bloed in Spanje over geloof als iets wat je erfde (eerst gericht tegen conversos), en kreeg ras pas na 1700 een biologische betekenis.
Waaraan je het herkent: "Racisme" of "rassentheorie" als verklaring voor de Inquisitie of het Statuut van Kilkenny, of conversos die in 1492 het land uit moeten.
Wat er misgaat: Je verklaart de expansie en de val van Azteken en Inca's uit Europese superioriteit: betere schepen, betere wapens en een handvol dappere Spanjaarden.
Hoe het wel moet: Begin bij het motief om de tussenhandel te omzeilen, en noem dat kompas, hekroer en buskruit uit China kwamen en het latijnzeil uit de Indische Oceaan. Verklaar de verovering uit inheemse bondgenoten zoals Tlaxcala, interne verdeeldheid en vooral ziekten; staal, vuurwapens en paarden waren beperkt in aantal en effect.
Waardoor het komt: Dat beeld komt van de conquistadores zelf, die er bij de kroon belang bij hadden, en het lijkt te passen bij hoe het afliep. De stof laat zien dat Europa een randspeler was in een bestaand Afro-Euraziatisch handelsnetwerk en zijn techniek grotendeels leende.
Waaraan je het herkent: "Europa ontdekte de wereld" of "technologische voorsprong" als verklaring, of Tenochtitlan dat valt zonder Tlaxcala en de pokken.
Wat er misgaat: Je schrijft dat de Zwarte Dood de Europese economie verwoestte, alsof dat net zo vaststaat als het aantal doden.
Hoe het wel moet: Scheid feit en oordeel: ongeveer een derde van de bevolking stierf, daarna gaven arbeidstekort, hogere lonen, verlaten slechte grond en meer mobiliteit per streek een andere uitkomst. Noem dat Wiesner-Hanks en collega's opperen dat de pest de economie op den duur misschien zelfs verbeterde.
Waardoor het komt: Dat de pest een ramp was is een feit, wat hij met de economie deed is een oordeel waarover economisch historici en demografen het oneens zijn. De stof noemt zelf streken die nooit herstelden en overlevenden met een hogere levensstandaard.
Waaraan je het herkent: Een zin als "de pest verwoestte de economie" zonder streek of historicus erbij, en geen woord over lonen of arbeidstekort.
Wat er misgaat: Je noemt de pausen in Avignon "het Schisma", of laat het Concilie van Konstanz de kerk hervormen.
Hoe het wel moet: In Avignon zat eerst één paus; het schisma begon pas na de terugkeer naar Rome, met de dubbele verkiezing van 1378. Konstanz loste het schisma op met Martinus V en liet de hervorming liggen, dus het conciliarisme (een concilie boven de paus) haalde het niet, al maakte het zichtbaar hoe hard de kerk hervorming nodig had.
Waardoor het komt: Alle drie spelen rond dezelfde pausen en dezelfde stad, dus ze schuiven in elkaar. Het zijn drie stappen: de Babylonische ballingschap (1309-1376), het Grote Schisma (1378-1417, na Pisa in 1409 met drie pausen) en Konstanz (1414-1418).
Waaraan je het herkent: "Tijdens het schisma in Avignon" of "Konstanz hervormde de kerk" in je antwoord, of Martinus V die het concilie laat doorwerken.
Wat er misgaat: Je noemt Petrarca, Pico, Erasmus en More in één adem "humanisten", of maakt Erasmus een protestant.
Hoe het wel moet: Koppel elke denker aan richting en doel: Petrarca en Bruni aan de studia humanitates en het burgerhumanisme, Ficino en Pico aan Plato en de waardigheid van de mens, Erasmus en More aan hervorming via onderwijs en de vroege kerk. Erasmus werd een wortel van de Reformatie, ontkende dat zelf, werd nooit volgeling van Luther en belandde op de Index.
Waardoor het komt: Beide richtingen gingen terug naar oude teksten, en daar blijft het in je hoofd bij hangen. Het verschil zit in het doel: de noordelijke christelijke humanisten zetten die studie in voor kerkhervorming en een innerlijk geloof, de Italianen voor opvoeding, welsprekendheid, burgerzin en de waardigheid van de mens.
Waaraan je het herkent: "De humanist Erasmus wilde terug naar de klassieken" zonder de vroege kerk, of Erasmus aan de kant van Luther.
Wat er misgaat: Je schrijft dat de Vrede van Augsburg godsdienstvrijheid bracht, of dat het calvinisme daar al erkend werd.
Hoe het wel moet: Augsburg (1555) gaf één staatskerk per gebied, luthers of katholiek. Die regeling brokkelde af toen gebieden van geloof wisselden, wat uitliep op de Dertigjarige Oorlog; Westfalen (1648) maakte haar blijvend, voegde het calvinisme als derde godsdienst toe en erkende het gezag van ruim driehonderd Duitse vorsten en de onafhankelijkheid van de Republiek.
Waardoor het komt: Beide vredes regelen de godsdienst in het Rijk en worden vaak in één adem genoemd. Augsburg liet elke overheid kiezen tussen katholiek en luthers; wie het oneens was, bekeerde zich of vertrok.
Waaraan je het herkent: De woorden "vrijheid" of "tolerantie" bij 1555, of calvinisten die zich op Augsburg beroepen.
Wat er misgaat: Je behandelt de hele katholieke vernieuwing als tegenzet op Luther en noemt alles Contrareformatie.
Hoe het wel moet: Deel de maatregelen in: de hervormingen onder Paulus III, seminaries, getoetste roeping, onderwijs aan leken, de ursulinen en de strengere karmelietessen van Teresa van Ávila horen bij de interne hervorming; de Romeinse Inquisitie, de Index en het terugwinnen van Zuid-Duitsland en Polen bij de Contrareformatie. Trente deed allebei.
Waardoor het komt: Trente, de jezuïeten en de Romeinse Inquisitie komen na Luther, dus alles lijkt een antwoord op hem. Veel historici zien twee verweven bewegingen: een interne katholieke hervorming die op oudere pogingen voortbouwde, en een Contrareformatie die de protestanten op alle fronten bestreed.
Waaraan je het herkent: Elke katholieke maatregel begint met "als reactie op Luther", en hervorming van binnenuit komt niet voor.
Wat er misgaat: Je beschrijft de veertiende en de zeventiende eeuw als tijden waarin alles achteruitging, en neemt het etiket "eeuw van crisis" over als vaststaand feit.
Hoe het wel moet: Zet naast wat instortte wat ontstond: na 1300 het Engelse Parlement, lekenvroomheid, volkstaal en geletterdheid; na 1600 staten die noodmaatregelen blijvend maakten, en de barok. Noem de verschillen per gebied, zoals de Nederlanden die midden in de zeventiende-eeuwse crisis hun gouden eeuw hadden.
Waardoor het komt: Beide hoofdstukken openen met kou, honger, ziekte en oorlog, en het etiket is van historici zelf. Het boek laat in beide perioden ook zien wat eruit voortkwam en dat de klap niet overal even hard aankwam.
Waaraan je het herkent: Een vraag als "was dit vooral een tijd van crisis?" die je met alleen ellende beantwoordt, zonder wat er ontstond of een gebied dat het anders verging.
De samenvatting van Europese Geschiedenis volgt de colleges, week voor week. Week 1 lees je gratis met een account.
Begin gratis met week 1 · Samenvatting Europese Geschiedenis · Bekijk prijzen
Let op: deze analyse is een inschatting op basis van de samenvatting van dit vak, niet van eerdere tentamens. De grafieken laten zien hoe zwaar de onderwerpen in de leerstof wegen en hoe complex ze zijn. Gebruik ze om je prioriteiten te bepalen, niet als blauwdruk voor het tentamen. Een goede voorbereiding blijft altijd breder dan wat je hier ziet.