Geschiedenis jaar 1 · Leiden (EG)

Tentamenanalyse Europese Geschiedenis

Welke onderwerpen krijgen de meeste ruimte, waar liggen de punten en wat kost de meeste denkkracht? De stof van Europese Geschiedenis doorgerekend, met de plekken waar studenten in dit vak de mist in gaan. Gratis te lezen.

Deze pagina ontleedt de vorm van het tentamen Europese Geschiedenis. Hij laat zien welke onderwerpen de meeste ruimte krijgen, waar de punten waarschijnlijk liggen, wat de meeste denkkracht kost en hoe je je studietijd verdeelt. Het deeltentamen vraagt vooral om verklaren, vergelijken en positie nemen in open vragen en een essay. De analyse beslaat nu week 1 tot en met 5, van de late middeleeuwen tot het absolutisme (hoofdstuk 11 tot en met 15), en groeit mee met de rest van het vak.

Onderwerpen van Europese Geschiedenis naar aandeel, verwachte punten, moeilijkheid en studietijd
OnderwerpAandeel in de stofverwachte puntenMoeilijkheidStudietijd
De crisis van de veertiende eeuw10%10%3 van 59%
De Honderdjarige Oorlog en de nieuwe monarchieën6%6%3 van 56%
De kerk in crisis: Avignon, Schisma en kritiek6%7%3 van 57%
Renaissance en humanisme15%12%4 van 512%
Ras, gender en de ander7%6%4 van 57%
De protestantse Reformaties11%12%4 van 512%
Contrareformatie, godsdienstoorlogen en heksenjacht6%6%3 van 56%
De Europese expansie10%10%3 van 59%
Koloniale rijken en de eerste wereldeconomie8%8%4 van 58%
De crisis van de zeventiende eeuw en de Dertigjarige Oorlog5%6%3 van 56%
Absolutisme in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa11%12%4 van 512%
Constitutionalisme in Engeland en de Republiek5%5%4 van 56%

Aandeel in de tentamenstof

De stof is ongelijk verdeeld over twaalf onderwerpen. Renaissance en humanisme is met afstand het grootste blok: Noord-Italiaanse steden, humanisme, Machiavelli, drukpers, kunst en het debat over de term zelf. Daarna volgen De protestantse Reformaties en Absolutisme in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa, even groot, met vlak daarachter De crisis van de veertiende eeuw en De Europese expansie. Die vijf onderwerpen vullen samen ruim de helft van de stof. Aan de andere kant staan De crisis van de zeventiende eeuw en Constitutionalisme in Engeland en de Republiek als kleinste onderwerpen. Klein betekent hier kort in het boek: beide zijn nodig om het absolutisme van week 5 te kunnen plaatsen.

Zo pak je het aan: Maak per groot onderwerp een schema met oorzaken, verloop en gevolgen op één blad. Dat schema is de ruggengraat van een essayantwoord.

Puntenverdeling per onderwerp

De punten volgen de omvang niet helemaal, omdat toetsbaarheid meeweegt. Renaissance en humanisme is het grootste onderwerp, maar zakt terug naar het niveau van De protestantse Reformaties en Absolutisme in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa: kunst, stijlen en begrippen lenen zich minder voor een verklaringsvraag. Die drie delen de top en brengen samen iets meer dan een derde van de verwachte punten op. De Reformaties en het absolutisme stijgen juist: waarom de Reformatie aansloeg en hoe vorsten hun macht opbouwden zijn klassieke verklaar- en vergelijkvragen. Ook De kerk in crisis weegt in punten iets zwaarder dan in omvang, omdat Avignon, het Schisma en de kritiek de aanloop naar Luther vormen.

Zo pak je het aan: Oefen voor de drie toponderwerpen elk een antwoord dat begint met een stelling, twee of drie oorzaken onderbouwt en eindigt met een gevolg. Zo scoor je op argument en op kennis tegelijk.

Moeilijkheidsgraad van de onderwerpen

Zes onderwerpen vragen meer denkkracht dan de rest: Renaissance en humanisme, Ras, gender en de ander, De protestantse Reformaties, Koloniale rijken en de eerste wereldeconomie, Absolutisme in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa en Constitutionalisme in Engeland en de Republiek. Wat ze gemeen hebben is dat feiten alleen niet volstaan. Bij de renaissance moet je het debat over de term kunnen voeren, bij ras en gender verschuivende opvattingen van huidskleur tot zuiverheid van bloed uitleggen, bij de koloniale rijken een keten van suiker, slavernij, zilver en prijsstijging volgen. Absolutisme en constitutionalisme vragen om vergelijken. De andere zes, zoals De Honderdjarige Oorlog en de Contrareformatie, zijn beter te overzien.

Zo pak je het aan: Zet absolutisme en constitutionalisme naast elkaar in een vergelijkingstabel met dezelfde criteria per land. Een vergelijkingsvraag beantwoord je dan dan criterium voor criterium, met beide landen in elke alinea.

Waar leg je je prioriteit?

Eerst: Renaissance en humanisme, De protestantse Reformaties en Absolutisme in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa. Veel punten en veel denkwerk, dus hier gaat je beste tijd heen. Snel: De crisis van de veertiende eeuw en De Europese expansie leveren veel punten op en zijn goed te doen, want ze draaien om heldere ketens van oorzaak en gevolg. Tijd: Ras, gender en de ander, Koloniale rijken en de eerste wereldeconomie en Constitutionalisme in Engeland en de Republiek zijn lastig bij minder punten. Bijvangst: De Honderdjarige Oorlog, De kerk in crisis, de Contrareformatie en de crisis van de zeventiende eeuw. Die leer je het best mee als achtergrond bij de grote onderwerpen.

Zo pak je het aan: Koppel elk bijvangstonderwerp aan een eerst-onderwerp: de kerkkritiek aan Luther, de Dertigjarige Oorlog aan de groei van legers en het absolutisme. Zo wordt achtergrond bruikbaar als oorzaak in een essay.

Je studieplan

Verdeel je tijd naar het gewicht van de onderwerpen. De drie eerst-onderwerpen krijgen elk het grootste deel, met De crisis van de veertiende eeuw en De Europese expansie direct daarna. Let op week 5: absolutisme, constitutionalisme en de crisis van de zeventiende eeuw vullen samen bijna een kwart van je studietijd, in één week stof. Week 4 met de expansie en de koloniale rijken is ook zwaar. Week 1 en 2 delen de renaissance, dus die kun je spreiden. Plan in de laatste weken voor het deeltentamen daarom ruimte voor week 4 en 5, en herhaal de vroege weken met vragen die over hoofdstukken heen lopen.

Zo pak je het aan: Schrijf elke week één oefenessay dat twee weken verbindt, bijvoorbeeld de kerkkritiek uit week 1 met de Reformatie uit week 3. Dat traint het verbinden dat een essayvraag verwacht.

Kernbegrippen per onderwerp

De crisis van de veertiende eeuw

Kleine ijstijd
De koudere en nattere periode van ongeveer 1300 tot 1800, die kortere groeiseizoenen, mislukte oogsten en hongersnood bracht.
Grote Hongersnood (1315-1322)
Hongersnood in bijna heel Noord-Europa na door stormen vernielde oogsten; dure voeding, ondervoeding en ziekte versterkten elkaar in een kringloop.
Zwarte Dood (1347)
De pestepidemie die in oktober 1347 via Genuese schepen Messina bereikte en in West-Europa naar schatting een derde van de bevolking doodde.
Yersinia pestis
De pestbacterie die via vlooien van ratten op mensen overging; DNA uit massagraven bevestigde in de jaren 2010 dat het om deze bacterie ging.
Flagellanten
Groepen die zichzelf als boete geselden en van stad naar stad trokken; ze moedigden het idee aan dat het doden van joden de pest buiten hield.
Statuut van Arbeiders (1351)
Engelse wet die de lonen bevroor op het peil van voor de pest en arbeiders aan hun heer bond; ze bleek niet te handhaven.
Jacquerie (1358)
Franse boerenopstand tegen oorlogsbelasting, roofridders en verloren veldslagen, die na enkele weken hard door de adel werd neergeslagen.
Engelse Boerenopstand (1381)
Opstand na een opnieuw ingevoerde hoofdelijke belasting; Richard II beloofde vrijheid, brak zijn woord, maar de horigheid was in 1550 toch verdwenen.

De Honderdjarige Oorlog en de nieuwe monarchieën

Honderdjarige Oorlog (1337-1453)
Oorlog tussen Engeland en Frankrijk om Aquitanië, de Vlaamse wol en de Franse troon, die beide landen verarmde en centrale regeringen versterkte.
Salische wet
Frankisch wetboek waarop Franse juristen in 1328 de uitsluiting van vrouwen en hun zonen van de troon baseerden; die regel was een verzonnen traditie.
Crécy (1346) en Poitiers (1356)
Engelse overwinningen dankzij de snel herladende handboog; bij Poitiers nam de Zwarte Prins de Franse koning gevangen.
Jeanne d'Arc
Boerendochter die in 1429 het beleg van Orléans brak en Karel VII in Reims liet kronen; in 1431 als ketter verbrand, in 1456 eerherstel.
Parlement en Commons
Door de geldnood van Edward III kwam het Engelse Parlement vaak bijeen; ridders en burgers vergaderden apart en kregen zeggenschap over nieuwe belastingen.
Permanent koninklijk leger
Het eerste staande leger van Europa, geschapen door Karel VII van Frankrijk, betaald uit belasting op producten en grond.
Star Chamber
Engelse rechtbank onder de Tudors die adellijke onruststokers berechtte zonder jury, in geheime zittingen en met marteling, tegen het common law in.
Val van Granada (1492)
Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragon namen op 6 januari 1492 Granada in, het einde van de reconquista.

De kerk in crisis: Avignon, Schisma en kritiek

Babylonische ballingschap (1309-1376)
De periode waarin de pausen in Avignon woonden onder druk van Filips de Schone, wat het aanzien van het pausdom zwaar schaadde.
Grote Schisma (1378-1417)
Splitsing met twee en na Pisa (1409) drie pausen tegelijk; vorsten kozen langs politieke lijnen, wat de kerkleiding in diskrediet bracht.
Conciliarisme
De opvatting dat algemene concilies die alle christenen vertegenwoordigen meer gezag hebben dan de paus en de kerk moeten hervormen.
Marsilius van Padua
Stelde in Defensor Pacis dat de staat de bindende macht is en dat een concilie van priesters en leken boven de paus staat.
John Wyclif en de Lollarden
Wyclif stelde dat alleen de Schrift telt en maakte de eerste volledige Engelse Bijbel; zijn volgelingen, de Lollarden, werden vervolgd.
Jan Hus
Praags hervormer die pauselijk gezag en aflaten verwierp, gesteund door Tsjechisch nationaal gevoel; in 1415 in Konstanz verbrand ondanks een vrijgeleide.
Concilie van Konstanz (1414-1418)
Beëindigde het schisma met de keuze van Martinus V in 1417, maar liet de hervorming van de kerk liggen.
Broederschappen en lekenvroomheid
Vrijwillige lekengroepen die baden, processies hielden en kerken onderhielden, vaak zonder priester; ze groeiden door hongersnood, pest en oorlog.

Renaissance en humanisme

Mecenaat
Stelsel waarin steden, groepen en individuen schrijvers en kunstenaars betaalden voor bepaalde werken, zodat economie, politiek en cultuur verweven raakten.
Signori
Erfelijk bewind van één man in een Italiaanse stad, soms achter een gevel van communale instellingen; het woord slaat op heersers en regeringsvorm.
Humanisme
Het programma van de studia humanitates, de studie van de Latijnse klassieken, vanuit de gedachte dat de menselijke natuur het overdenken waard is.
Virtù
Het vermogen om de wereld naar je eigen wil te vormen; het woord gaat over daadkracht, zodat Machiavelli ook een meedogenloze heerser virtù kon toekennen.
Burgerhumanisme
De overtuiging dat ontwikkelde mannen actief moeten zijn in de politiek van hun stad, onder een republiek of een verlichte alleenheerser.
Machiavelli, De vorst (1513)
Machiavelli mat een regering aan de orde en veiligheid die ze biedt en brak zo met de middeleeuwse morele maatstaf; beter gevreesd dan bemind.
Christelijk humanisme
Noordelijke richting die klassieke en christelijke waarden combineerde en humanistische studie inzette voor kerkhervorming, met Erasmus en More als bekendste namen.
Drukpers (jaren 1440)
Gutenbergs losse metalen letters; binnen vijftig jaar verschenen 8 tot 20 miljoen boeken, meer dan in de hele westerse geschiedenis daarvoor.

Ras, gender en de ander

Querelle des femmes
Het debat over de aard van de vrouw vanaf eind veertiende eeuw; in de zestiende eeuw draaide het om de vraag of geslacht of rang zwaarder woog.
Christine de Pizan
Eerste vrouw in Europa die van haar pen leefde; ze zocht naar de oorzaken van de achterstelling van vrouwen en liep vooruit op gender als sociale constructie.
Conversos
Tot het christendom bekeerde joden en hun nakomelingen in Spanje, vaak invloedrijk en daarom gewantrouwd, en doelwit van de Inquisitie vanaf 1478.
Zuiverheid van bloed
Het idee dat joods-zijn in het erfelijke bloed zat, zodat bekering de smet niet uitwiste; zuiver christelijk bloed werd voorwaarde voor adeldom.
Verdrijving van de joden (1492)
Alle praktiserende joden moesten Spanje verlaten; van de ongeveer 200.000 vluchtten er 150.000. De maatregel trof de onbekeerde joden.
Debat van Valladolid (1550)
Sepúlveda noemde inheemsen van nature slaven en verdedigde verovering; Las Casas zag hen als redelijke mensen die bescherming verdienden.
Castas
Koloniaal systeem dat mensen rangschikte naar Europese, inheemse en Afrikaanse afkomst, met zuiver Spaans bloed bovenaan.
Montaigne en cultureel relativisme
Montaigne schreef dat ieder barbaars noemt wat hij zelf niet gewend is: een andere cultuur is anders zonder minder te zijn.

De protestantse Reformaties

Aflaat
Document dat een goede daad uit de schatkamer van verdiensten in de plaats stelde van boetedoening of tijd in het vagevuur; Tetzel verkocht ze voor Leo X.
Vijfennegentig stellingen (1517)
Luthers Latijnse stellingen aan Albrecht van Mainz: de aflaat ondermijnde boete, prediking en naastenliefde. Dat hij ze aan een kerkdeur spijkerde, is overlevering.
Alleen geloof, alleen genade, alleen de Schrift
Luthers kern: redding komt door het geloof, een gave van God, en Gods woord staat alleen in de Bijbel.
Rijksdag van Worms (1521)
Luther weigerde voor Karel V te herroepen zonder bewijs uit de Schrift, wat zijn ideeën een nog groter publiek gaf.
Transsubstantiatie
De katholieke leer dat brood en wijn door de woorden van de priester werkelijk lichaam en bloed van Christus worden; Luther en Zwingli verschilden hierover.
Wederdopers
Scheldnaam voor radicalen die volwassenen doopten en een vrijwillige gemeenschap los van de staat wilden; beide confessies executeerden hen.
Vrede van Augsburg (1555)
Elke overheid koos tussen katholiek en luthers; geen godsdienstvrijheid, want per gebied gold één kerk en andersdenkenden bekeerden zich of vertrokken.
Predestinatie
Calvijns leer dat God bij het begin der tijden besliste wie gered en wie verdoemd wordt; de mens kan zijn redding niet verdienen.

Contrareformatie, godsdienstoorlogen en heksenjacht

Katholieke hervorming en Contrareformatie
Twee verweven bewegingen: interne vernieuwing van de kerk en bestrijding van de protestanten, gedragen door pausdom, nieuwe orden en Trente.
Concilie van Trente (1545-1563)
Stelde Schrift en traditie gelijk, bevestigde zeven sacramenten en transsubstantiatie, pakte pluralisme aan en liet bisschoppen seminaries stichten.
Jezuïeten (erkend 1540)
Orde van Ignatius van Loyola, gehoorzaam aan de paus, met humanistische scholen en invloed als biechtvaders; haalden Zuid-Duitsland en Oost-Europa terug.
Bartholomeusnacht (1572)
Moord op de hugenotenleiders in Parijs rond het huwelijk van Hendrik van Navarra; de schuldvraag is onder historici omstreden.
Edict van Nantes (1598)
Hendrik IV gaf de hugenoten gewetensvrijheid en eredienst in 150 versterkte steden en stelde zo politieke noodzaak boven zijn geloof.
Beeldenstorm en Unie van Utrecht
Na de beeldenstorm en Alva's harde optreden volgde burgeroorlog; het noorden sloot de Unie van Utrecht en verklaarde zich in 1581 onafhankelijk.
Inquisitoire procedure
Rechtsgang waarin de overheid zelf vervolgt en de verdachte scherp ondervraagt, vaak onder foltering; ze maakte massale heksenprocessen mogelijk.
Heksenpaniek
Grote heksenjacht waarin elke ondervraagde verdachte nieuwe namen noemde; tussen 40.000 en 60.000 mensen werden geëxecuteerd, 75 tot 85 procent vrouwen.

De Europese expansie

Afro-Euraziatische handelswereld
Middeleeuws netwerk van zee- en karavaanroutes met de Indische Oceaan als hart, waarin Europa een randspeler was.
Motieven van de expansie
Economisch (goud, specerijen), religieus (kruistochtgeest), politiek (steun en wedijver van vorsten) en intellectueel (renaissancistische nieuwsgierigheid).
Reconquista
Uitbreiding van de christelijke Iberische koninkrijken door oorlog tegen moslimstaten; conquistadores verwachtten net als toen land, titels en macht als beloning.
Karveel
Wendbaar Portugees schip met twee of drie masten en een hekroer, met scheepsgeschut; veel techniek, zoals kompas en latijnzeil, kwam van elders.
Factorij
Versterkte handelspost; via factorijen beheerste Portugal rond 1500 de goudstroom naar Europa zonder grote nederzettingen of politieke zeggenschap.
Vasco da Gama (1498)
Bereikte met een Arabische gids Calicut en bewees dat handel via de Kaap winst gaf.
Verdrag van Tordesillas (1494)
Afspraak tussen Spanje en Portugal over een lijn door de Atlantische Oceaan: het westen voor Spanje, het oosten voor Portugal, zodat Brazilië Portugees werd.
Val van Tenochtitlan (1521)
Cortés nam de Azteekse hoofdstad in met Tlaxcalteekse bondgenoten en na een pokkenepidemie; ziekte en inheemse steun waren beslissend.

Koloniale rijken en de eerste wereldeconomie

Onderkoninkrijken en audiencia
Spanje verdeelde Amerika in Nieuw-Spanje (1535) en Peru (1542); de onderkoning werkte met de audiencia, een raad van rechters en hoogste gerechtshof.
Encomienda
Het recht van veroveraars om inheemsen te laten werken of tribuut te heffen in ruil voor zorg en bekering; in de praktijk overwerk en mishandeling.
Repartimiento en mita
Gedwongen arbeid tegen een klein loon na de Nieuwe Wetten (1542): een deel van elke gemeenschap moest jaarlijks werken in mijnen en landbouw.
Columbian exchange
Uitwisseling van dieren, planten en ziekten tussen Oude en Nieuwe Wereld; door pokken, mazelen en griep daalde de inheemse bevolking met 90 procent of meer.
Suiker en slavernij
Suiker vergde massale, ononderbroken arbeid; plantages in Brazilië en het Caribisch gebied draaiden op aanvoer van Afrikaanse slaven.
Potosí en de quinto (1545)
Zilvervondst in Peru; de kroon hief een vijfde van het gedolven edelmetaal. Het zilver versterkte de inflatie en China nam de helft af.
Mercantilisme
De leer dat buitenlandse handel een nulsomspel is; ze dreef de noordelijke machten tot concurrentie via gecharterde compagnieën met monopolie.
VOC (1602)
Nederlandse compagnie die Malakka en Sri Lanka van Portugal overnam, beter georganiseerd en met meedogenlozer geweld dan de Portugezen.

De crisis van de zeventiende eeuw en de Dertigjarige Oorlog

Eeuw van crisis
De zeventiende eeuw verloor bevolking door kouder klimaat, misoogsten, godsdienstige tegenstellingen, oorlog en groeiende druk van regeringen.
Grote keten van het zijn
Het idee dat God via een reeks gerangschikte sociale groepen met zijn schepping verbonden was, zodat ieder een vaste plek had.
Morele economie
Het wereldbeeld achter broodoproeren: de behoeften van de gemeenschap gaan voor op concurrentie en winst.
Dertigjarige Oorlog (1618-1648)
Begon in Bohemen toen het bestand van Augsburg afbrokkelde; Zweden en het katholieke Frankrijk keerden het tij tegen de Habsburgers.
Vrede van Westfalen (1648)
Beëindigde de godsdienstoorlogen, erkende het gezag van ruim driehonderd Duitse vorsten, voegde het calvinisme toe en gaf de Republiek onafhankelijkheid.
Staand leger
Permanent leger met officieren trouw aan de staat; het Franse leger groeide van ongeveer 125.000 naar 340.000 man aan het eind van de eeuw.
Soevereiniteit
Een staat is soeverein als hij binnen duidelijke grenzen het monopolie heeft op rechtspraak en geweld.

Absolutisme in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa

Absolutisme
De aanspraak van vorsten dat zij, door God gekozen, alleen aan God verantwoording schuldig waren en als enigen wetten mochten maken en handhaven.
Intendanten
Door de koning benoemde commissarissen in de Franse districten, door Richelieu uitgebreid, die legers wierven, belasting inden en de wet handhaafden.
Fronde (1648-1653)
Opstand van ambtsadel en zwaardadel tegen de centralisatie van Richelieu en Mazarin; daarna aanvaardden de Fransen een sterke vorst.
Versailles en patronage (1682)
Lodewijk XIV hield de grote edelen aan zijn hof en verdeelde ambten, pensioenen en titels in ruil voor trouw en diensten.
Herroeping van het Edict van Nantes (1685)
Lodewijk XIV verbood het protestantisme; ongeveer tweehonderdduizend hugenoten vluchtten, onder wie veel bekwame ambachtslieden.
Colbert en het mercantilisme
Colbert reguleerde van 1665 tot 1683 de economie om meer uit dan in te voeren, zodat Lodewijk oorlog kon voeren zonder enorme belastingverhogingen.
Junkers
De Pruisische adel die in 1660 belasting zonder toestemming aanvaardde in ruil voor hun privileges en gezag over de horigen.
Peter de Grote (1682-1725)
Antwoordde op de nederlaag bij Narva met levenslange dienst voor edelen, een staand leger en een bureaucratie van veertien rangen; won in 1709 bij Poltava.

Constitutionalisme in Engeland en de Republiek

Constitutionalisme
De beperking van de regering door de wet, met een evenwicht tussen het gezag van de regering en de rechten van de onderdanen.
Petition of Right (1628)
Het parlement hield Karel I voor dat onderdanen niet zonder instemming van het parlement belast en niet zonder reden gevangengezet mochten worden.
Puriteinen
Calvinisten die de anglicaanse kerk wilden zuiveren van katholieke elementen, zoals door de kroon benoemde bisschoppen.
Engelse Burgeroorlog (1642-1649)
Het parlementsleger versloeg de koning; het Rump Parliament liet Karel I berechten, en op 30 januari 1649 werd hij onthoofd.
Protectoraat (1653-1658)
Cromwells republiek, die de auteurs een militaire dictatuur noemen: het leger beheerste de regering en Cromwell het leger.
Glorious Revolution (1688-1689)
Jacobus II vluchtte en Willem en Maria werden gekroond; de naam is Engels, want elders volgden opstanden en oorlog.
Bill of Rights (1689)
Beëindigde het goddelijk recht: wetten kwamen uit het parlement, dat minstens eens per drie jaar bijeenkwam, en een katholiek kon de troon niet erven.
Regenten en Staten
In de Republiek beheersten oligarchieën van rijke kooplieden de provinciale Staten, die vrijwel alle macht hadden; de Staten-Generaal was niet soeverein.

Waar het bij Europese Geschiedenis meestal misgaat

Deze fouten volgen uit de stof zelf: begrippen die op elkaar lijken, voorwaarden die samen moeten gelden, een uitzondering die blijft hangen als hoofdregel.

De aflaat als oorzaak van de Reformatie

Wat er misgaat: Op de vraag waarom de Reformatie aansloeg vertel je het verhaal van Tetzel, de stellingen van 1517 en Worms, en daar houdt het op.

Hoe het wel moet: Maak de aflaat de aanleiding en zet de oorzaken ernaast: antiklerikalisme, de drukpers, humanisten die een eenvoudig geloof zochten, steden die de belastingvrijdom van de clerus beu waren en vorsten die kerkgoed wilden. De doorslag gaf het gezag: een gebied werd protestants als vorst of stadsraad de hervormers binnenhaalde, en het versnipperde Rijk gaf daar de ruimte voor.

Waardoor het komt: De aflaat is het bekendste en meest concrete moment, dus hij voelt als de verklaring. Kritiek op de kerk bestond al eeuwen; de vraag is waarom ze rond 1520 massaal gehoor kreeg en waarom hele gebieden protestants werden.

Waaraan je het herkent: Je antwoord gaat alleen over wat Luther dacht en deed, zonder vorsten, stadsraden of het Rijk. Of Luther spijkert de stellingen aan de kerkdeur, een verhaal uit biografieën van na zijn dood.

Absolutisme als alle macht, constitutionalisme als democratie

Wat er misgaat: Je schrijft dat Lodewijk XIV alle macht had en zet Engeland en de Republiek daartegenover als democratieën.

Hoe het wel moet: Behandel absolutisme als aanspraak en als debat, met de grenzen erbij en per land een andere ruil met de adel (hof en patronage, macht over de horigen, dienstadel). Constitutioneel betekende soevereiniteit bij een parlement of Staten van bevoorrechte groepen, geen van beide was democratisch, en beide soorten staten werden sterker via belasting, leger, bureaucratie en expansie.

Waardoor het komt: Absolutisme is de aanspraak van de vorsten zelf, en de klassieke tweedeling nodigt uit tot twee tegenpolen. De auteurs laten zien dat macht op papier en in de praktijk verschilden: Lodewijk had de medewerking van de adel nodig, en Condé moest met de Staten van Bourgondië over het bedrag onderhandelen.

Waaraan je het herkent: "Absolute macht" zonder bron of kanttekening, geen woord over adel of onderhandeling, en niets over wat de twee staatsvormen gemeen hadden.

De opvolging van 1328 als oorzaak van de Honderdjarige Oorlog

Wat er misgaat: Je verklaart de oorlog uit de kinderloze dood van Karel IV en de claim van Edward III op de Franse kroon, en stopt daar.

Hoe het wel moet: Werk in lagen: structureel Aquitanië en de Vlaamse wol, dan de aanleiding (1328 en de inbeslagname van Aquitanië in 1337), dan waarom hij zo lang duurde (de Bourgondiërs aan Engelse kant). Hetzelfde onderscheid geldt voor de Jacquerie en de Engelse opstand van 1381, waar een oorlogsbelasting de aanleiding was.

Waardoor het komt: De troonkwestie is het best te vertellen deel en schuift daardoor naar voren. Het is de aanleiding; de lange-termijnoorzaken lagen bij Aquitanië als Engels leen van de Franse kroon en bij de Vlaamse lakenindustrie die op Engelse wol draaide.

Waaraan je het herkent: Je oorzakenalinea begint en eindigt bij de Salische wet of Filips VI van Valois, en Vlaanderen komt er niet in voor.

De renaissance als afgebakende breuk

Wat er misgaat: Je behandelt de renaissance als een tijdvak dat na de middeleeuwen begon en er radicaal mee brak: individualistisch en seculier tegenover corporatief en religieus.

Hoe het wel moet: Presenteer breuk en continuïteit als debat: de renaissance valt samen met de late middeleeuwen, is eerder een beweging dan een tijdvak, en familie, gilde en geloof bleven belangrijk. Neem mee dat sommige historici het woord betwijfelen omdat veel groepen erop achteruitgingen, en dat vrouwen, armen en het platteland er grotendeels buiten bleven.

Waardoor het komt: Dat is het beeld van Vasari, die het woord gebruikte om de kunst van zijn eigen tijd als wedergeboorte na eeuwen duisternis te prijzen, en historici hebben het lang overgenomen. Labels als middeleeuwen en renaissance zijn achteraf bedacht en dragen een waardeoordeel.

Waaraan je het herkent: "Na de duistere middeleeuwen" of een vast beginjaar van de renaissance, zonder dat Vasari, het debat of continuïteit ter sprake komt.

Ras en zuiver bloed modern invullen

Wat er misgaat: Je leest "ras" en "zuiverheid van bloed" in de vijftiende en zestiende eeuw als een biologische rassenleer over huidskleur.

Hoe het wel moet: Volg de verschuiving die het boek schetst: van geloof naar bloed naar biologie, met de castas in de koloniën als tussenstap. Houd daarbij joden en conversos uit elkaar: de Inquisitie zocht bij gedoopte conversos naar heimelijk joods leven, de verdrijving van 1492 trof de onbekeerde joden.

Waardoor het komt: Het moderne woord ligt voor de hand, zeker naast de slavenhandel. In de stof betekende ras eerst volk of natie, ging zuiver bloed in Spanje over geloof als iets wat je erfde (eerst gericht tegen conversos), en kreeg ras pas na 1700 een biologische betekenis.

Waaraan je het herkent: "Racisme" of "rassentheorie" als verklaring voor de Inquisitie of het Statuut van Kilkenny, of conversos die in 1492 het land uit moeten.

Europese voorsprong als verklaring voor de expansie

Wat er misgaat: Je verklaart de expansie en de val van Azteken en Inca's uit Europese superioriteit: betere schepen, betere wapens en een handvol dappere Spanjaarden.

Hoe het wel moet: Begin bij het motief om de tussenhandel te omzeilen, en noem dat kompas, hekroer en buskruit uit China kwamen en het latijnzeil uit de Indische Oceaan. Verklaar de verovering uit inheemse bondgenoten zoals Tlaxcala, interne verdeeldheid en vooral ziekten; staal, vuurwapens en paarden waren beperkt in aantal en effect.

Waardoor het komt: Dat beeld komt van de conquistadores zelf, die er bij de kroon belang bij hadden, en het lijkt te passen bij hoe het afliep. De stof laat zien dat Europa een randspeler was in een bestaand Afro-Euraziatisch handelsnetwerk en zijn techniek grotendeels leende.

Waaraan je het herkent: "Europa ontdekte de wereld" of "technologische voorsprong" als verklaring, of Tenochtitlan dat valt zonder Tlaxcala en de pokken.

Een oordeel over de pest als feit opschrijven

Wat er misgaat: Je schrijft dat de Zwarte Dood de Europese economie verwoestte, alsof dat net zo vaststaat als het aantal doden.

Hoe het wel moet: Scheid feit en oordeel: ongeveer een derde van de bevolking stierf, daarna gaven arbeidstekort, hogere lonen, verlaten slechte grond en meer mobiliteit per streek een andere uitkomst. Noem dat Wiesner-Hanks en collega's opperen dat de pest de economie op den duur misschien zelfs verbeterde.

Waardoor het komt: Dat de pest een ramp was is een feit, wat hij met de economie deed is een oordeel waarover economisch historici en demografen het oneens zijn. De stof noemt zelf streken die nooit herstelden en overlevenden met een hogere levensstandaard.

Waaraan je het herkent: Een zin als "de pest verwoestte de economie" zonder streek of historicus erbij, en geen woord over lonen of arbeidstekort.

Avignon, Schisma en Konstanz door elkaar

Wat er misgaat: Je noemt de pausen in Avignon "het Schisma", of laat het Concilie van Konstanz de kerk hervormen.

Hoe het wel moet: In Avignon zat eerst één paus; het schisma begon pas na de terugkeer naar Rome, met de dubbele verkiezing van 1378. Konstanz loste het schisma op met Martinus V en liet de hervorming liggen, dus het conciliarisme (een concilie boven de paus) haalde het niet, al maakte het zichtbaar hoe hard de kerk hervorming nodig had.

Waardoor het komt: Alle drie spelen rond dezelfde pausen en dezelfde stad, dus ze schuiven in elkaar. Het zijn drie stappen: de Babylonische ballingschap (1309-1376), het Grote Schisma (1378-1417, na Pisa in 1409 met drie pausen) en Konstanz (1414-1418).

Waaraan je het herkent: "Tijdens het schisma in Avignon" of "Konstanz hervormde de kerk" in je antwoord, of Martinus V die het concilie laat doorwerken.

Italiaans en christelijk humanisme op één hoop

Wat er misgaat: Je noemt Petrarca, Pico, Erasmus en More in één adem "humanisten", of maakt Erasmus een protestant.

Hoe het wel moet: Koppel elke denker aan richting en doel: Petrarca en Bruni aan de studia humanitates en het burgerhumanisme, Ficino en Pico aan Plato en de waardigheid van de mens, Erasmus en More aan hervorming via onderwijs en de vroege kerk. Erasmus werd een wortel van de Reformatie, ontkende dat zelf, werd nooit volgeling van Luther en belandde op de Index.

Waardoor het komt: Beide richtingen gingen terug naar oude teksten, en daar blijft het in je hoofd bij hangen. Het verschil zit in het doel: de noordelijke christelijke humanisten zetten die studie in voor kerkhervorming en een innerlijk geloof, de Italianen voor opvoeding, welsprekendheid, burgerzin en de waardigheid van de mens.

Waaraan je het herkent: "De humanist Erasmus wilde terug naar de klassieken" zonder de vroege kerk, of Erasmus aan de kant van Luther.

Augsburg 1555 en Westfalen 1648 verwisselen

Wat er misgaat: Je schrijft dat de Vrede van Augsburg godsdienstvrijheid bracht, of dat het calvinisme daar al erkend werd.

Hoe het wel moet: Augsburg (1555) gaf één staatskerk per gebied, luthers of katholiek. Die regeling brokkelde af toen gebieden van geloof wisselden, wat uitliep op de Dertigjarige Oorlog; Westfalen (1648) maakte haar blijvend, voegde het calvinisme als derde godsdienst toe en erkende het gezag van ruim driehonderd Duitse vorsten en de onafhankelijkheid van de Republiek.

Waardoor het komt: Beide vredes regelen de godsdienst in het Rijk en worden vaak in één adem genoemd. Augsburg liet elke overheid kiezen tussen katholiek en luthers; wie het oneens was, bekeerde zich of vertrok.

Waaraan je het herkent: De woorden "vrijheid" of "tolerantie" bij 1555, of calvinisten die zich op Augsburg beroepen.

Katholieke hervorming en Contrareformatie als synoniemen

Wat er misgaat: Je behandelt de hele katholieke vernieuwing als tegenzet op Luther en noemt alles Contrareformatie.

Hoe het wel moet: Deel de maatregelen in: de hervormingen onder Paulus III, seminaries, getoetste roeping, onderwijs aan leken, de ursulinen en de strengere karmelietessen van Teresa van Ávila horen bij de interne hervorming; de Romeinse Inquisitie, de Index en het terugwinnen van Zuid-Duitsland en Polen bij de Contrareformatie. Trente deed allebei.

Waardoor het komt: Trente, de jezuïeten en de Romeinse Inquisitie komen na Luther, dus alles lijkt een antwoord op hem. Veel historici zien twee verweven bewegingen: een interne katholieke hervorming die op oudere pogingen voortbouwde, en een Contrareformatie die de protestanten op alle fronten bestreed.

Waaraan je het herkent: Elke katholieke maatregel begint met "als reactie op Luther", en hervorming van binnenuit komt niet voor.

Crisis lezen als alleen neergang

Wat er misgaat: Je beschrijft de veertiende en de zeventiende eeuw als tijden waarin alles achteruitging, en neemt het etiket "eeuw van crisis" over als vaststaand feit.

Hoe het wel moet: Zet naast wat instortte wat ontstond: na 1300 het Engelse Parlement, lekenvroomheid, volkstaal en geletterdheid; na 1600 staten die noodmaatregelen blijvend maakten, en de barok. Noem de verschillen per gebied, zoals de Nederlanden die midden in de zeventiende-eeuwse crisis hun gouden eeuw hadden.

Waardoor het komt: Beide hoofdstukken openen met kou, honger, ziekte en oorlog, en het etiket is van historici zelf. Het boek laat in beide perioden ook zien wat eruit voortkwam en dat de klap niet overal even hard aankwam.

Waaraan je het herkent: Een vraag als "was dit vooral een tijd van crisis?" die je met alleen ellende beantwoordt, zonder wat er ontstond of een gebied dat het anders verging.

Nu weet je waar je moet beginnen

De samenvatting van Europese Geschiedenis volgt de colleges, week voor week. Week 1 lees je gratis met een account.

Begin gratis met week 1 · Samenvatting Europese Geschiedenis · Bekijk prijzen

Let op: deze analyse is een inschatting op basis van de samenvatting van dit vak, niet van eerdere tentamens. De grafieken laten zien hoe zwaar de onderwerpen in de leerstof wegen en hoe complex ze zijn. Gebruik ze om je prioriteiten te bepalen, niet als blauwdruk voor het tentamen. Een goede voorbereiding blijft altijd breder dan wat je hier ziet.