Vragen over Europese Geschiedenis (EG)

De vragen en discussies die bij Europese Geschiedenis horen: verbanden, tegenstellingen en denkfouten uit de stof. 20 vragen, waarvan 16 met een antwoord dat vrij te lezen is.

Hoofdstuk 11: De late middeleeuwen (1300-1450)

Hoe weten we eigenlijk hoeveel mensen er aan de Zwarte Dood stierven, als er geen bevolkingsregisters waren?

Eerlijk gezegd weten we het niet precies. Voor de meeste landen en steden ontbreken bevolkingscijfers van voor en na de pest, dus elk getal is een onderbouwde schatting. Historici combineren verschillende soorten bewijs. Kroniekschrijvers geven getallen, zoals de vijf- tot zeshonderd doden per dag in Wenen in 1349, maar dat is één stad op één moment. Archeologen tellen potscherven in Oost-Engeland en leiden daaruit af dat de bevolking na de pest ongeveer 45 procent kleiner was. Uit zulke stukjes komt de gangbare schatting van een derde van de bevolking van West-Europa. Op het tentamen scoor je als je laat zien dat je dat onderscheid kent: de sterfte zelf is een feit, het percentage is een reconstructie.

Was het Parlement nu een gevolg van de Honderdjarige Oorlog, of was het er toch wel gekomen?

Het hoofdstuk legt een duidelijk verband: Edward III had geld nodig voor de oorlog, riep daarom ook ridders en burgers bijeen, en het Parlement vergaderde in 37 van zijn 50 regeringsjaren. Uit die gewoonte groeiden de Commons en de wet van 1341 over belastingen. Maar let op wat er ook staat: tussen 1250 en 1450 bloeiden representatieve vergaderingen in veel landen, zoals de Duitse diets en de Spaanse cortes, en de meeste daarvan verloren later hun macht. De oorlog verklaart dus goed waarom het Engelse Parlement juist toen vaak bijeenkwam. Verklaart hij ook waarom het in Engeland bleef bestaan en elders niet, of heb je daarvoor nog iets anders nodig?

Waarom werden joden de zondebok, zowel tijdens de hongersnood als tijdens de pest?

In beide crises zochten mensen een schuldige voor een ramp die ze niet begrepen. Tijdens de hongersnood richtte de woede zich op rijken, speculanten en joden, die vaak als woekeraars werden afgeschilderd. Dat beeld hing samen met christelijke beperkingen: joden mochten vaak geen land bezitten en werden daardoor geldschieters. Het gerucht ging dat joden met melaatsen de putten vergiftigden, en op grond van onder marteling verkregen "bewijs" werden velen gedood. Bij de pest keerde dezelfde beschuldiging terug, aangewakkerd door flagellanten, en duizenden joden werden vermoord, vooral in Franse en Duitse steden. Het patroon laat zien wat het hoofdstuk een kenmerk van de middeleeuwse samenleving noemt: diepe vroomheid ging samen met wantrouwen tegenover wie anders was.

Jeanne d'Arc is voor sommigen een heilige, voor anderen een nationalistisch symbool. Wat weten we eigenlijk over haar, los van die legendes?

Er is een harde kern: een boerendochter uit Domrémy, geboren in 1412, die stemmen hoorde, bij Orléans de Franse aanval leidde, de kroning van Karel VII in 1429 mogelijk maakte en in 1431 als ketter werd verbrand. Een belangrijke bron is het verslag van haar proces, opgesteld door een rechtbank onder een pro-Engelse bisschop. Daarin legt ze uit dat ze alles op bevel van God deed, ook het dragen van mannenkleding. Denk na over wat dat voor de bron betekent. De rechters wilden haar veroordelen, en toch horen we haar eigen antwoorden. Na 1456 werd ze een symbool voor wie haar nodig had: de Franse monarchie, de kerk en later conservatieve nationalisten. Welk deel van haar verhaal hoort dan bij de vijftiende eeuw, en welk deel bij de mensen die haar later gebruikten?

Heeft de pest de Europese economie op de lange termijn geholpen?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Hoofdstuk 12: De Europese samenleving in de renaissance (1350-1550)

Waarom heet het de renaissance als het voor veel mensen helemaal geen bloeitijd was?

Het woord komt van Vasari, die in de zestiende eeuw vond dat de kunst van zijn tijd de klassieke glorie had laten herleven. Later maakten historici er de naam van een hele levenshouding van. Kijk je naar wie ervan profiteerde, dan zie je een kleine, mannelijke en welgestelde stedelijke elite. Vrouwen bleven buiten de academies, de werkplaatsen en de humanistische scholen, de slavenhandel versterkte vooroordelen over Afrikanen, en op het platteland veranderde er nauwelijks iets. Sommige historici twijfelen daarom of het woord wel past. Het hoofdstuk noemt middeleeuwen, renaissance en moderne tijd constructies achteraf, met een waardeoordeel erin. Maar welk woord zou jij dan kiezen, en voor wiens geschiedenis?

Meende Machiavelli nou wat hij in De vorst schreef, of was het ironie?

Daarover twijfelen geleerden tot vandaag. De meesten lezen De vorst (1513) als een realistisch of zelfs cynisch boek: een heerser moet orde en veiligheid bewaren en mag daarvoor liegen, manipuleren en geweld gebruiken, zolang hij niet gehaat raakt. Een minderheid leest het als satire: Machiavelli zou het vorstelijk bewind in het slechtst mogelijke licht zetten om de republiek, die hij in de Discourses on Livy uitvoerig verdedigde, beter te laten uitkomen. Tegen die lezing pleit dat hij het boek opdroeg aan de nieuwe Medici-heerser van Florence, nadat hij zelf buitenspel was gezet. In een wereld van mecenaat was dat in feite een sollicitatiebrief. Wie de satirelezing kiest, moet dus uitleggen waarom een man die werk zocht zijn kritiek zo diep verstopte.

Weten we eigenlijk hoe gewone mensen de renaissance beleefden?

Nauwelijks, en dat komt door de bronnen. Wat we lezen is geschreven door humanisten, kunstenaars en bestuurders: Bruni's geschiedenis van Florence, de levens van Vasari, lofzangen op de eigen stad zoals die van de Venetiaan Marin Sanudo (1493) en de Florentijn Benedetto Dei (1472). Zulke teksten verheerlijken hun stad en hun helden, en het genre van de stadslof ging zelf terug op de Romeinse oudheid. Het hoofdstuk zegt uitdrukkelijk dat de humanistische ideeën het leven van de meeste stedelingen niet raakten en dat van dorpen helemaal niet: daar draaide het nog om kerkelijke feesten, familiefeesten en leren van je ouders. Wat we over gewone mensen weten komt uit ander materiaal, zoals loonregels voor wijngaardarbeiders, waaruit blijkt dat vrouwen veel minder verdienden dan mannen. De renaissance die we kennen is dus vooral de renaissance van de elite.

Is de Reformatie het tegendeel van de renaissance?

Lange tijd zagen historici de Reformatie als een afwijzing van de renaissancewaarden en een terugkeer naar de middeleeuwse vroomheid. Het hoofdstuk erkent dat daar iets in zit, maar wijst ook op sterke continuïteit. Beide bewegingen keken terug naar een tijd die als zuiverder gold dan de eigen tijd, en beide gaven krachtige individuen de ruimte om hun wereld te veranderen. De christelijk humanisten zijn de brug: Erasmus riep op tot een wedergeboorte van de idealen van de vroege kerk, en zijn ideeën worden een wortel van de Reformatie genoemd, al ontkende hij dat zelf. Als de renaissance bovendien minder seculier was dan vaak gedacht, wat blijft er dan over van de tegenstelling?

Begint het moderne denken over ras in de Spaanse wetten op zuiverheid van bloed, of in de slavenhandel?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Hoofdstuk 13: Reformaties en godsdienstoorlogen (1500-1600)

Begint de Reformatie echt in 1517, of is dat vooral een handig jaartal?

Allebei een beetje. Kritiek op de kerk was eeuwenoud: al sinds de vierde eeuw vonden gelovigen dat de kerk te rijk en te nauw met de staat verbonden was, in Bohemen ontstond een eeuw vóór Luther een kerk los van Rome, en christelijke humanisten als Erasmus drongen aan op hervorming via onderwijs. Wat in de zestiende eeuw nieuw was, is de reikwijdte: binnen tien jaar na Luthers eerste publicaties had een groot deel van Midden-Europa en Scandinavië met Rome gebroken. Brede kritiek alleen had dat niet bereikt; Luthers persoonlijke strijd, de drukpers en de steun van vorsten en stadsraden gaven de doorslag. 1517 is dus een goed ankerjaar voor het moment waarop oude kritiek een massabeweging werd. Let wel op het beeld van de stellingen op de kerkdeur: dat komt uit latere biografieën.

Werden de Duitse vorsten protestants uit geloof of uit hebzucht?

Beide spelen mee. Sommige vorsten voelden zich oprecht aangetrokken tot Luthers leer, anderen raakte hij met zijn beroep op "wij Duitsers". Tegelijk betekende de breuk met Rome de wettige confiscatie van kloosters, landerijen en rijke bedevaartsplaatsen, en dat vergrootte hun macht en hun onafhankelijkheid van de keizer. Je ziet hetzelfde patroon in Engeland, waar Hendrik VIII de kloosters vooral om hun rijkdom ophief, en in Frankrijk, waar edelen het protestantisme als dekmantel voor hun zelfstandigheid gebruikten. Maar hoe weet je wat iemand van binnen dreef? Welke bronnen zou je nodig hebben om geloof en belang bij één vorst uit elkaar te halen, en kan dat eigenlijk wel?

Was de nederlaag van de Armada in 1588 nou een keerpunt of niet?

De slag wordt vaak een van de beslissende slagen uit de wereldgeschiedenis genoemd, maar de gevolgen waren gemengd. Spanje herbouwde zijn vloot snel, de kwaliteit ervan nam na 1588 zelfs toe, en de oorlog met Engeland sleepte nog jaren voort. Wel voorkwam de nederlaag dat Filips II het katholicisme met geweld in Engeland herstelde, en in Engeland voedde de overwinning een David-en-Goliathverhaal dat het nationaal gevoel versterkte. Een deel van de betekenis zit dus in de herinnering: het verhaal over de slag werd groter dan de militaire gevolgen. Op het tentamen scoor je door die twee kanten uit elkaar te houden.

Hoe weten we wat gewone mensen in de zestiende eeuw geloofden, als we vooral bronnen van de overheid hebben?

Veel van wat we weten komt uit ordonnanties, visitatieverslagen en procesdossiers: bronnen van de mensen die het gedrag wilden sturen. Een visitatie uit Nassau-Wiesbaden (1594) klaagt over vloeken, dronkenschap en lege kerkbanken, maar dat is de blik van de controleur. Bij de heksenprocessen is het nog lastiger: de verslagen zijn uitgebreid, maar ze kunnen niet zeggen of beschuldigden zelf geloofden dat ze heksen waren, zeker niet als de bekentenis onder foltering kwam. Soms spreken gewone gelovigen wel zelf, zoals Anna Jansz in haar lied en haar testament, al kennen we die via een martelaarsboek dat het geloof moest versterken. Welke bronnen zouden jou dichter bij het geloof van een doorsnee dorpeling brengen, en wat zouden die op hun beurt weer verbergen?

Noemen we de Reformatie een begin van de moderne wereld omdat we weten hoe het afliep?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Hoofdstuk 14: Europese ontdekkingsreizen en veroveringen (1450-1650)

Kun je eigenlijk wel zeggen dat Columbus Amerika "ontdekte"?

Wiesner-Hanks e.a. zetten het woord zelf tussen aanhalingstekens, en met reden. Amerika telde in 1492 naar schatting 35 tot 50 miljoen mensen, van jagers-verzamelaars tot grote rijken met steden. Columbus was ook niet de eerste Europeaan: Vikingen hadden in de negende eeuw kortstondige nederzettingen op Newfoundland. Bovendien begreep hij zelf niet wat hij gevonden had; tot zijn dood in 1506 dacht hij bij Azië te zijn, en pas Vespucci sprak van een Nieuwe Wereld. "Ontdekking" beschrijft dus vooral het Europese perspectief: voor Europeanen was het nieuw. Op het tentamen laat je zien dat je dat perspectief herkent als je het woord gebruikt en er meteen bij zegt voor wie het een ontdekking was.

Hoe weten we wat Doña Marina zelf vond, als ze niets heeft opgeschreven?

Eerlijk gezegd weten we dat niet. Alles wat over haar bekend is komt van anderen: Cortés noemt haar in zijn brief aan Karel V alleen zijn tolk, Bernal Díaz beschrijft haar decennia later uitvoerig en legt haar woorden van dankbaarheid in de mond, en Tlaxcalteekse kunstenaars en de Florentijnse Codex tonen haar vanuit inheems perspectief. Elk van die bronnen had een eigen belang. Cortés had er baat bij zijn eigen rol groot te maken, Díaz schreef als oud-veroveraar terugkijkend. Wat kun je met zulke bronnen dan wél zeggen over haar positie, en waar houdt de reconstructie op?

Was Las Casas nu de goede in het verhaal?

Hij was de felste criticus van de Spaanse wreedheden en hij kreeg iets gedaan: de kroon gebruikte het debat om de rechten van kolonisten in te perken en inheemse gemeenschappen meer bescherming te geven, en de Nieuwe Wetten (1542) volgden op de klachten van missionarissen. Toch deelde hij in Valladolid (1550) met zijn tegenstander Sepúlveda het uitgangspunt dat de Europese cultuur superieur was: hij zag inheemsen als onschuldige kinderen die bescherming en opvoeding nodig hadden. Bovendien was hij zelf eerder encomienda-houder geweest. Een goed antwoord laat daarom zien binnen welke grenzen zelfs de critici dachten.

Als ziekten de belangrijkste oorzaak waren, waren de conquistadores dan eigenlijk wel verantwoordelijk voor de bevolkingsdaling?

Wiesner-Hanks e.a. noemen infectieziekten de belangrijkste doodsoorzaak. Toch eisten ook geweld en de ontwrichting van landbouw en handel slachtoffers, en de arbeidssystemen (encomienda, repartimiento, mita) waren zowel oorzaak als reactie van de ramp: kolonisten voegden krimpende gemeenschappen samen en legden ze zware arbeid op. Daarbij komt dat het verschil tussen "onbedoeld" en "verwijtbaar" een oordeel is dat je zelf moet onderbouwen. Welke maatstaf gebruik jij om verantwoordelijkheid te wegen: wat men toen kon weten, of wat men deed toen de gevolgen zichtbaar werden?

Noemen we dit de opkomst van Europa alleen omdat we weten dat Europa later machtig werd?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Samenvatting Europese Geschiedenis · Oefenen met Europese Geschiedenis · Bekijk prijzen